Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.6.3
1.8.6.3 Recht op equality of arms
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het EHRM spreekt zelf doorgaans van het ‘principle of equality of arms’. Dat het een recht betreft, is bevestigd in EHRM 25 november 2008, appl.no. 37259/04 (Svencioniene/ Litouwen), § 25. In die zaak werd het recht ook geschonden geacht.
EHRM 27 januari 2004, appl.no. 44484/98 (dec.) (Lorsé/Nederland), p. 12; EHRM 22 januari 2002, appl.no. 42011/98 (Oyston/Verenigd Koninkrijk), p. 9.
EHRM 22 februari 1996, appl.no. 17358/90 (Bulut/Oostenrijk), § 47.
In de geciteerde passage wordt weliswaar gesproken van ‘parties’, op grond waarvan ook het openbaar ministerie recht op equality of arms zou hebben, maar aangezien artikel 6 EVRM verdedigingsrechten bevat, is het recht op equality of arms praktisch gezien een verdedigingsrecht. Rechter Pettiti meende in zijn dissenting opinion bij EHRM 23 november 1993, appl.no. 14032/88 (Poitrimol/Frankrijk) dat equality of arms in strafzaken niet beperkt is tot de relatie tussen de verdediging en het openbaar ministerie: ‘Equality of arms must be considered not only in the relationship between accused and prosecution but also in the relationship between victims, civil parties and accused. If a defendant is absent because he has refused to appear, it may put the victim or the civil party to the proceedings at a disadvantage.’ Uit de hierna te bespreken zaak EHRM 7 juli 2009, appl.no. 30542/04 (D./Finland) blijkt dat het EHRM equality of arms in strafzaken inderdaad niet beperkt acht tot de relatie tussen de verdediging en het openbaar ministerie.
EHRM 27 januari 2004, appl.no. 44484/98 (dec.) (Lorsé/Nederland), p. 12; EHRM 22 januari 2002, appl.no. 42011/98 (dec.) (Oyston/Verenigd Koninkrijk), p. 9. Verwarrend in dit verband is dat het EHRM in zaken met ontlastende getuigen pleegt te spreken van de eis van full equality of arms. Zie bijvoorbeeld EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./Nederland), § 91.
Zie daarover Reijntjes 1979, p. 903.
EHRM 7 juli 2009, appl.no. 30542/04 (D./Finland), § 49 en 52. In deze zaak had het EHRM kunnen volstaan met de toepassing van het beslismodel. Een beslissende getuige kon niet door de verdediging worden ondervraagd. Desondanks, mogelijk omdat daarover specifiek geklaagd was, oordeelde het EHRM ook nog over het uitblijven van kennisneming van processtukken. De conclusie was dat artikel 6 lid 1 EVRM was geschonden.
EHRM 24 februari 2009, appl.no. 3584/02 (Tarău/Roemenië), § 77; EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 226.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat het bij de hier besproken situatie gaat om de vraag of het ondervragingsrecht (art. 6 lid 3 sub d EVRM) is geschonden. De andere aspecten van een eerlijk proces spelen wel een belangrijke rol wanneer de overall fairness (artikel 6 lid 1 EVRM) van de procedure wordt onderzocht in zaken waarin het ondervragingsrecht zelf niet geschonden wordt geacht. Die gevallen heb ik in § 8.5 besproken.
Bij het recht ontlastende getuigen te ondervragen staat de processuele ongelijkheid juist centraal. Het bewerkstellingen van equality of arms is volgens EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./Nederland), § 91 en EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 102 ‘the essential aim’ van dat recht. Desondanks wordt de nadelige positie van de verdediging ten opzichte van het openbaar ministerie ook in uitspraken met betrekking tot ontlastende getuigen zelden in concrete overwegingen ten aanzien van de te beoordelen zaak genoemd. Een van de zeldzame gevallen is EHRM 21 december 2006, appl.no. 56891/00 (Borisova/Bulgarije), § 47-48: ‘the Court finds that the prosecution had an unfair advantage over the applicant to prepare for the hearing and to find witnesses to support its case.’
In § 4 is al aan de orde gekomen dat het ondervragingsrecht nauw verband houdt met het recht op equality of arms.1 Het ondervragingsrecht is onder meer toegekend om de in beginsel zwakkere positie van de verdediging ten opzichte van de officier van justitie te compenseren. Daarnaast kan equality of arms zelfstandig betekenis hebben bij de beoordeling van klachten over schending van het ondervragingsrecht. In deze paragraaf zal ik de betekenis van equality of arms voor het ondervragingsrecht onderzoeken.
Het recht op equality of arms wordt niet met zoveel woorden genoemd in artikel 6evrm. Desondanks is het een fundamenteel aspect van het recht op een eerlijk proces.2 Het ehrm legt de betekenis van equality of arms vaak als volgt uit: ‘The Court recalls that under the principle of equality of arms, as one of the features of the wider concept of a fair trial, each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a disadvantage vis-aÌ-vis his opponent’.3 In strafzaken is de tegenpartij de officier van justitie en moet dus worden beoordeeld of de verdediging ten opzichte van de officier van justitie niet in een nadelige positie terecht is gekomen.4 De positie van de verdediging hoeft niet exact gelijk te worden gesteld aan die van het openbaar ministerie.5 Enige ongelijkheid is toelaatbaar. Daarom is het bijvoorbeeld niet problematisch dat in de meeste verdragsstaten belastende getuigen worden gedagvaard of opgeroepen door het openbaar ministerie, terwijl de verdediging daartoe het recht niet heeft.6 Hoewel de officier van justitie alle getuigen kan oproepen die hij maar wil, zal het recht op equality of arms niet aangetast worden bevonden om de enkele reden dat door de verdediging gedane getuigenverzoeken zijn afgewezen.
In de algemene overwegingen in arresten met betrekking tot de ondervraging van belastende getuigen legt het ehrm zo nu en dan uit wat het recht op equality of arms behelst. Dit aspect van het recht op een eerlijk proces lijkt dan ook onderdeel uit te maken van het algemene beoordelingskader van het ehrm bij ondervragingsklachten. Het is echter maar zelden betrokken in de rechtsoverwegingen met betrekking tot de beoordeling van de voorgelegde zaak. Voor zover het wel is genoemd en een schending van artikel 6evrm is vastgesteld, was geen sprake van een dragende overweging7 of werd op grond van de beoordeling van de overall fairnessartikel 6 lid 1evrm geschonden geacht.8 De conclusie is dat de concrete invloed van equality of arms bij de beoordeling van ondervragingsklachten gering is.9 Er kan daarom worden gesteld dat het formele aspect van het ondervragingsrecht (gelijkwaardigheid tussen procespartijen creëren) bij de beoordeling van ondervragingsklachten door het ehrm een aanzienlijk minder prominente rol speelt dan het materiële aspect (de gelegenheid krijgen om de betrouwbaarheid van belastende getuigenverklaringen te beoordelen).10