Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/6.6
6.6 Kamerbrief Van der Hoeven: Onderwijs, Integratie en Burgerschap 2004
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977290:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerbrief van 23 april 2004, Kamerstukken II 2003/04, 29536, nr. 1.
Curs.W; Onderwijsraad VO 2004, p. 15.
Ibid., p. 16.
Zie mijn voorstel tot invoering van het kennisgebied/vak burgerschap in hoofdstuk 12.
Curs.W; Ibid., p. 17.
Ibid., p. 18.
Ibid., p. 4.
Ibid. p. 28.
Ibid., p. 33.
Ibid., p. 33-34.
Ibid., p. 34.
Ibid., p. 34.
Verslag van een AO, 12 augustus 2004, Kamerstukken II 2003/04, 29536, nr. 3.
Ibid., p. 4.
Ibid., p. 9.
In de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen 2017 herhaalt CDA-lijsttrekker Buma het leren van onze nationale hymne als verplicht op school en bij de inburgering.
Staatsburgerlijke vorming primair
In het voorjaar van 2004 stuurt minister Van der Hoeven de Kamerbrief Onderwijs, Integratie en Burgerschap. Centraal staat de aandacht voor goed burgerschap, mede als reactie op de adviezen van de Onderwijsraad in 2002 en 2003.1 De ontwikkelingen in de schoolpopulatie vragen om een herijking van burgerschapsvorming, waarbij ‘het niet alleen om kennisoverdracht gaat, maar ook om ervaringsleren: ‘burgerschap leer je door te doen’. Burgerschapsvorming is een zaak van gemeenschappelijkheid en eigen schoolinvulling’.2 Er ligt wel nadruk op de rol van de overheid bij staatsburgerlijke vorming, meer dan bij maatschappelijk vorming: ‘De staat heeft bij uitstek zorg voor een goed functionerende rechtsstaat en de voorbereiding daarop’.3
Geen vak burgerschapsvorming, maatschappijleer: staatsburgerlijke vorming
Eén van de mogelijkheden tot het bevorderen van de verantwoordelijkheid voor het functioneren van de democratische rechtsstaat is het stellen van eisen. Hiervoor blijkt minister Van der Hoeven (CDA) evenwel niet voor een vak burgerschapsvorming te kiezen: ‘Scholen kunnen maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming, al of niet onder de noemer burgerschapsvorming, in de vrije ruimte aanbieden’.4 Het voornemen van de minister is gericht op ‘het structureel aan de orde [laten] komen van elementen van de staatsburgerlijke vorming in een samenhangend historisch perspectief bij maatschappijleer’.5
Vakspecifieke thema's in andere bestaande vakken
Naast het voorstel om burgerschapsvormende aspecten op te nemen in de examenprogramma’s bevat de Kamerbrief de volgende voorstellen:
Opnemen van een wettelijke bepaling voor burgerschap, en sociale integratie
Inbedden in het curriculum van burgerschapsvorming en niet als apart vak
Faciliteren van uitwisseling van best practices op het gebied van burgerschap
Opnemen van burgerschap en sociale integratie in het inspectietoezichtkader
In het po en vo burgerschapsvorming deel laten uitmaken van de kerndoelen
Opnemen elementen burgerschapsvorming in (eindtermen in de) examenprogramma’s van geschiedenis, economie, aardrijkskunde, filosofie en kunst
Ondersteunen van experimenten voor de maatschappelijke stage
Continueren van blijvende vormen van overleg gemeenten en scholen (LEA)
De rol bij de versterking van maatschappelijk burgerschap te bezien.6
Bij Kamerbrief reageert de minister op de 150 schriftelijke vragen van de vaste commissie voor OCW, waarvan ik er enkele noem:
Op de vraag (12) ‘waarom van ieder actief burgerschap wordt verwacht’, antwoordt de minister dat actief burgerschap het verantwoordelijkheid nemen betekent voor de gemeenschap binnen en buiten de school.7
Op de vraag (115) ’wat zijn kernwaarden’ is verwezen naar (a) de vrijheid van meningsuiting, (b) gelijkwaardigheid, (c) begrip, (d) verdraagzaamheid en (e) non-discriminatie, waarop de democratische rechtsstaat steunt.8
Op de vraag (132) ‘hoe beoordeeld wordt of een school bijdraagt aan burgerschapsvorming en sociale integratie’ wordt verwezen naar een voorgenomen doelbepaling. Deze zal een opdracht zijn, als een expliciet handvat bij de beoordeling van het onderwijs dat het tegendeel van burgerschapsvorming beoogt, omdat het leerlingen oproept zich tegen de basisbeginselen van de samenleving te keren. Onderwijs dat haaks staat op de principes van de democratische rechtsstaat voldoet hieraan niet.9
Op de vraag (134) ‘op welk niveau het kerndoel burgerschapsvorming zich begeeft’, is door de minister verwezen naar de kerndoelen in het leergebied Oriëntatie op jezelf en de wereld, gericht op maatschappelijke vorming en staatsburgerschap (hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger). Kerndoelen richten zich op vorming tot schoolburgers.10
Op de vraag (136) ‘of de opneming van kerndoelen burgerschapsvorming betekent dat leerlingen kennisnemen van staatsburgerschap en van waarden, normen en gebruiken in de samenleving’, is verwezen naar vraag 134.11
Op de vraag (137) ‘hoe burgerschapsvorming getoetst wordt aangezien het meer een attitude is dan feitenkennis’, is verwezen naar vraag 132.12
Verslag algemeen overleg 2004: geen apart vak burgerschap
Medio 2004 verschijnt het verslag van een Algemeen overleg van de minister met de vaste commissie voor OCW.13 De leden Kraneveldt (LPF), Van der Vlies (SGP), Slob (CU) en Azough (GroenLinks) gaan met een korte (onderwijs juridische) beschouwing nader in op burgerschapsvorming. Zo informeert Kraneveldt naar de opvatting van de minister over de wenselijkheid van de invoering van burgerschapsvorming als apart vak. Van der Vlies refereert op grondige wijze aan de strijd voor de vrijheid van richting (artikel 23 Gw) in relatie met burgerschapsvorming en vraagt naar het voornemen van de regering van het opnemen van het Wilhelmus in de kerndoelen.14 Slob vindt dat burgerschapsvorming integraal onderdeel moet uitmaken van het schoolbeleid en acht het ongewenst scholen burgerschapsvorming van bepaalde snit en met een bepaalde invulling op te leggen. Azough vreest voor het streven van de regering om leerlingen tot modelburgers te maken.15
In de opvattingen van Van der Vlies, Slob en Azough schuilt het afwijzen van staatspedagogiek bij burgerschapsvorming. De vrijheid van onderwijs in artikel 23 Gw staat hieraan in de weg. De minister gaat in haar antwoord kort in op de geleverde inbreng. Ze blijkt geen voorstander van een apart vak, evenmin van de verplichting het Wilhelmus te leren zingen.16