Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.7.4.4
6.7.4.4 Premierestitutie op grond van art. 3:120 lid 7 Wft na de overdracht van schadeverzekeringen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949826:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:120 lid 7 Wft: “De bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van die termijn. De schadeverzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.” Er wordt gesproken over “teruggeven” en dat kan een partij strikt genomen alleen doen als hij dat bedrag eerst (zelf) heeft ontvangen. Als de bedoeling zou zijn, dat de verkrijgende verzekeraar betaalt, dan had het meer voor de hand gelegen het woord “vergoedt” te gebruiken.
DNB Toelichting 2019, p. 20-21.
In 2021 werd bijvoorbeeld in de Staatscourantadvertentie van 4 januari 2021 van Onderlinge Waarborgmaatschappij CZ Groep U.A. (publicatienummer 106) en van Centrale Zorgverzekeringen NZV N.V. (publicatienummer 107) voor de overdrachten van portefeuilles van schadeverzekeringen de verkrijgende verzekeraar vermeld als de verzekeraar die voor premierestitutie zorg zal dragen. Een ander voorbeeld is de Staatscourantadvertentie van 3 januari 2022, nr. 113 waarin is vermeld dat verkrijgende verzekeraar Onderlinge Verzekeringsmaatschappij “Waterland en Omstreken U.A.” in geval van opzegging voor premierestitutie zorgt.
Opgenomen in het Verslag van de Verzekeringskamer betreffende het schadeverzekeringsbedrijf over de periode 1 september 1966 – 31 december 1967, welk jaarverslag is te raadplegen op https://www.nationaalarchief.nl (nummer toegang 2.25.108).
De tekst van art. 3:120 lid 7 Wft lijkt te impliceren dat in het geval dat de polishouder gebruik maakt van zijn opzegrecht de vooruitbetaalde premie wordt gerestitueerd door de overdragende verzekeraar.1 De concept-publicaties van DNB op grond van art. 3:120 Wft gaan daar ook vanuit, want daarin wordt in paragraaf 5 gerefereerd aan “Maatschappij A”.2 In het geval van een juridische fusie houdt de overdragende verzekeraar op het moment van het van kracht worden van de juridische fusie op te bestaan.3 Dan zal logischerwijze dus “Maatschappij B” de schuldenaar zijn van deze verplichting. Als ik het goed zie, dan leidt dit er in de praktijk toe dat er soms ook bij gewone portefeuilleoverdrachten voor wordt gekozen te communiceren dat de verkrijgende verzekeraar voor premierestitutie zorg zal dragen. Ook wanneer geen sprake is van een juridische fusie wordt in de publicaties dus toch soms de verkrijgende rechtspersoon genoemd als schuldenaar voor de premierestitutie.4 In dit verband is ook interessant dat de in 1967 bij de totstandkoming van de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf door de Verzekeringskamer in een circulaire verspreide concept-overeenkomst voor een portefeuilleoverdracht door schadeverzekeraars en de bijbehorende concept-publicaties, ervan uitgingen dat de premierestitutie zou worden gedaan door de verkrijgende verzekeraar (“Maatschappij B”).5 Het is daarom belangrijk dat in de onderliggende activa-passiva overeenkomst een heldere regeling is opgenomen wie het risico draagt van eventuele opzeggingen op grond van art. 3:120 lid 7 Wft en voor wiens rekening in hun onderlinge verhouding de terugbetalingsverplichtingen zullen komen.