Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.2.6.4:4.2.6.4 Conclusies
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.2.6.4
4.2.6.4 Conclusies
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498826:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De volgende drie conclusies kunnen worden getrokken:
De omlijningsbenaderingen waarin de nadruk wordt gelegd op het vereiste dat de verrijking ongerechtvaardigd is, leiden niet tot voorspelbare en overtuigende uitkomsten.1
Als eerst wordt vastgesteld wanneer een verrijking wordt genoten ‘ten koste van een ander’ in de zin van artikel 6:212, blijft een beperkte groep verrijkingen over waar het criterium ‘ongerechtvaardigd’ betrekking op dient te hebben. Het criterium ‘ongerechtvaardigd’ is in een dergelijke benadering scherper dan wanneer het betrekking heeft op elke willekeurige verrijking en pas daarna wordt onderzocht of een verrijking is ontstaan ten koste van een ander.
Indien de eerste vraag van een omlijningsmethode zou zijn of een ‘verrijking ten koste van een ander’ is ontstaan, is nog onduidelijk of artikel 6:212 de grondslag kan vormen voor een vordering tot afdracht van voordeel dat met onoorbaar handelen is verkregen, dan wel dat de vordering alleen kan ontstaan bij vermogensverschuivingen waarvoor een rechtvaardiging ontbreekt. Nader onderzoek is noodzakelijk. Mijn bevindingen daaromtrent zal ik hieronder weergeven.2