Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.5.2
6.4.5.2 Wettelijke bepaling is van toepassing en is geschonden
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713164:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder valt dat de aangesproken partij de hoedanigheid heeft van de normadressaat.
Deze vereisten zijn ontleend aan: Bauw 1994, p. 89 e.v. Daarnaast moet voldaan zijn aan het relativiteitsvereiste. Dit vereiste laat ik hier buiten beschouwing. Ten aanzien van de bestanddelen van de norm maakt Bleeker onderscheid tussen objectieve bestanddelen, subjectieve bestanddelen en kwalitatieve bestanddelen. Objectieve bestanddelen zien op het type verplichtingen (wat is verboden of geboden?). Subjectieve bestanddelen zien op de eisen omtrent de geestesgesteldheid van de dader. Kwalitatieve bestanddelen stellen eisen aan de hoedanigheid van de normadressaat. Zie nader: Bleeker 2021, p. 31 e.v., 388 e.v. en 472 e.v.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 615 (TM): een wettelijke plicht is “iedere plicht, omschreven in een algemeen voorschrift dat bindt uit hoofde van zijn vaststelling of bekrachtiging door de algemene Nederlandse wetgever of een ander daartoe bevoegd Nederlands overheidsorgaan.” Zie hierover ook: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.3 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020). Het gaat hier dus niet om richtlijnbepalingen, aangezien zij moeten worden geïmplementeerd in het nationale recht.
Zie ook Sieburgh 2014, p. 537 en Asser/Hartkamp 3-I 2019/76 en 194. Onder omstandigheden kan ook rechtstreeks een beroep worden gedaan op algemene beginselen van Unierecht, zoals het beginsel van non-discriminatie. Zie uitgebreid: Asser/Hartkamp 3-I 2019/147-151.
Smits, WPNR 1940/3688-3690; Van Dam 1989, p. 258.
Van Dam 1989, p. 258.
Sieburgh 2000; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/83.
Franke 2021; Zie ook: Bauw 1994, p. 85, die verschillende redenen geeft waarom een wetsschending niet leidt tot onrechtmatigheid. Hij noemt: de geschonden norm is te abstract; de geschonden norm is niet meer in lijn met geldende maatschappelijke opvattingen; de gelaedeerde heeft zichzelf ook niet aan de geschonden wetsbepaling gehouden; overige omstandigheden.
In het eerste geval is een wettelijke bepaling van toepassing op het voorliggende geschil en is deze bepaling geschonden. Een wettelijke bepaling is van toepassing, indien voldaan is aan verschillende voorwaarden: de bepaling moet van kracht zijn ten tijde van het schadeveroorzakend handelen, de bepaling moet rechtsgeldig zijn (een nationale bepaling mag bijvoorbeeld niet in strijd zijn met het Unierecht), de norm moet een concrete gedraging verbieden of gebieden, er moet voldaan zijn aan alle bestanddelen van de norm1 en de norm moet de in concreto geschade belangen beogen te beschermen.2 Is voldaan aan deze voorwaarden en treedt schade op (waartegen de norm beoogt te beschermen), dan kan de gelaedeerde een beroep doen op de schending van een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW). Naast nationale bepalingen, gelden sommige Unierechtelijke bepalingen ook als ‘wettelijke plichten’ in de zin van art. 6:162 lid 2 BW.3 Een voorbeeld is art. 101 VWEU, waarin het kartelverbod is opgenomen.4 Een bespreking hiervan ligt buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
De vraag rijst of een schending van een toepasselijke wettelijke plicht automatisch leidt tot onrechtmatigheid in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. Met andere woorden, is schending van de wet eo ipso onrechtmatig? Hierover bestaat discussie in de literatuur. Sommigen menen dat een wetsschending niet eo ipso onrechtmatig is, maar dat nog getoetst moet worden aan de zorgvuldigheidsnorm.5 Volgens Van Dam is de schending van de wet slechts een tussennorm, “waarin de eindnorm – de zorgvuldigheidsnorm – in een voorlopige vorm aanwezig is.”6 Aan de andere kant zijn er de auteurs die menen dat een wetsschending wel eo ipso onrechtmatig is.7 Omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat een wetsschending toch niet onrechtmatig is, dienen in het kader van de rechtvaardigingsgronden aan bod te komen.8 Ik ga uit van deze tweede opvatting. Is sprake van een wettelijke bepaling die gericht is tot een specifieke normadressaat, dan werkt de hoedanigheid van de laedens dus op vrij directe wijze door in het onrechtmatigheidsoordeel.