Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.4.5.4
6.4.5.4 Wettelijke bepaling is van toepassing en is geschonden, maar relativiteit ontbreekt
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713165:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit laatste: HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.B.M. Vranken (Astrazeneca/Menzis).
HR 17 januari 1958, NJ 1961/568 (Tandarts).
Concl. Langemeijer bij: HR 17 januari 1958, NJ 1961/568 (Tandarts). Zie over deze ‘doorslaggevendheid’ ook: Verheij, NJB 2020/3049.
Van den Berge, RM Themis 2017/2, p. 49-50.
Van den Berge (RM Themis 2017/2, p. 55) schrijft dat de correctie-Langemeijer enerzijds aansluit bij het relatieve karakter van onrechtmatigheid, maar tegelijkertijd “onderkent […] dat rechtsnormen in het maatschappelijk verkeer veelal een coördinerende functie vervullen die rechtvaardigt dat de overtreding ervan als zelfstandige factor meeweegt bij de beantwoording van de vraag of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Op die manier vertegenwoordigt de correctie-Langemeijer een ‘midden’ tussen ‘autonoom’ en ‘zuiver relationeel’ recht.
Langemeijer NJB 1934, p. 618 e.v.; Langemeijer, NJB 1940, p. 386 e.v.; HR 17 januari 1958, NJ 1961/568 (Tandarts). Zie ook Asser/Sieburgh 6-IV 2019/138 voor verdere verwijzingen.
Vgl. Van Boom 2020, p. 204.
Van der Kooij 2019, p. 276 e.v., nr. 403 e.v.
Zie in gelijke zin: J.B.M. Vranken, annotatie, punt 16, bij: HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491(Astrazeneca/Menzis).
Zie ook de annotatie van R.J.N. Schlössels, punt 11, voor: RvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, JIN 2017/66 (Praxis), die ook schrijft over deze ‘dubbele schending’ in het kader van de correctie-Widdershoven, de bestuursrechtelijke variant van de correctie-Langemeijer.
Zie hierover ook: Verheij, NJB 2020/3049.
Het hierboven genoemde Tandarts-arrest is hier een duidelijk voorbeeld van. Het waren ook dergelijke gevallen die Langemeijer in gedachten had toen hij zijn artikelen schreef.
Van der Kooij 2019, p. 278, nr. 405.
Van der Kooij 2019, p. 278, nr. 405.
HR 16 september 1988, NJ 1989/505, m.nt. C.J.H. Brunner (Tandartsen II); HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.B.M. Vranken (Astrazeneca/Menzis).
Van der Kooij (2019) spreekt over een ‘gewone’ inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm. Den Hollander schrijft dit ook over de correctie-Widdershoven, maar lijkt impliciet, en mijns inziens terecht, hier een verschil aan te wijzen met de correctie-Langemeijer: Den Hollander, NTB 2018/19, p. 100-107. Vgl. Verheij, NJB 2020/3049, die verder gaat dan het door mij ingenomen standpunt en betoogt dat de wetsschending doorslaggevend is.
Deze praktische voordelen moeten ook weer niet overschat worden. Zie ook: J.B.M. Vranken, annotatie, punt 17, bij HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491(Astrazeneca/Menzis).
Den Hollander 2016, p. 158 e.v.; J.B.M. Vranken, annotatie, punt 17, bij HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491(Astrazeneca/Menzis).
Den Hollander 2016, p. 158 e.v.; Zie ook: J.B.M. Vranken, annotatie, punt 17, bij HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491(Astrazeneca/Menzis).
Vgl. ook concl. Wissink, onder punt 7, voor HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973, NJ 2020/40, m.nt. J. Hijma (Energyclaim), die benadrukt dat het aan de benadeelde is om te onderbouwen waarom de correctie-Langemeijer van toepassing is.
De duiding van Van Ravels & Kortmann in hun annotatie bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7189 vind ik dan ook onzuiver. Zij schrijven: “Schending van de wet levert een aanwijzing op dat ook een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Er wordt in dat geval geen aansprakelijkheid aangenomen voor het louter overtreden van de wettelijke beslistermijn, omdat deze norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die wordt geleden als gevolg van de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Er dienen ‘bijkomende omstandigheden’ te zijn om aan te nemen dat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is overschreden [curs. TdW-vdL].”
Ook het opzetvereiste vormt een onderdeel van de zorgvuldigheidsnorm: par. 6.4.2.5.
Zo had het hof in het Tandartsen II-arrest (HR 16 september 1988, NJ 1989/505, m.nt. C.J.H. Brunner (Tandartsen II)) onderzocht of de geschonden wettelijke bepaling zou worden afgeschaft. Volgens de AG was dit van belang, omdat de “betekenis van het overtreden van deze wetsbepaling voor de vraag of ook een ongeschreven norm is overtreden […] daarmee aan gewicht in[boet].”
Op 22 juli 2020 heb ik op www.rechtspraak.nl gezocht op ‘correctie-Langemeijer’. Het aantal gevonden uitspraken heb ik gefilterd op ‘civiel recht’. Het aantal hits was: 179, waarvan 55 uitspraken en 124 conclusies.
Zo hoeft een aanbieder van kansspelen die niet de vereiste vergunning heeft, de strenge voorwaarden van de Wok niet na te leven en zodoende heeft hij geen verplichting tot het afdragen van netto-opbrengst aan de staatskas (Rb. Utrecht 31 juli 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AI0977, r.o. 3.19; Rb. Utrecht 18 september 2003 ECLI:NL:RBUTR:2003:AK4749) of aan goede doelen (Hof Arnhem 17 oktober 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ0222, r.o. 4.24); Zie voorts m.b.t. farmaceuten: Hof Den Haag 27 mei 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AP0273, r.o. 21.
Zo kan een laedens minder tijd hebben verloren door de wetsschending, doordat hij geen tijd heeft besteed aan (verplichte) lange registratieprocedures (Hof Den Haag 27 mei 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AP0273, r.o. 21), vergunningaanvraagprocedures (bijvoorbeeld in het geval van de aanvraag van een vergunning op grond van de Wok) of klinische evaluaties (geneesmiddelen).
Zoals regelgeving die het verbiedt om reclame te maken voor geneesmiddelen of die de productie of distributie van geneesmiddelen beperkt (Hof Den Haag 27 mei 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AP0273, r.o. 21). Te denken valt ook aan beperkende regelgeving voor kansspelen, op grond waarvan aanbieders maar een beperkt aantal kansspelen mogen aanbieden en maximale inleg- en verliesbedragen moeten hanteren (Rb. Arnhem 27 januari 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AF3374; Hof Arnhem 17 oktober 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ0222, r.o. 4.24). Voorts kan gedacht worden aan de beperkende regelgeving dat aanbieders van kansspelen de identiteit van spelers moeten controleren, maatregelen ter voorkoming van deelname door minderjarige moeten controleren: Rb. Utrecht 31 juli 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AI0977, r.o. 3.19.
In het Tandartsen-arrest was van belang dat een tandarts genoodzaakt is een tijdrovende en kostbare studie te volbrengen en dat degene die kiest voor een dergelijke opleiding, daarvoor opofferingen moet maken. Vanwege deze opofferingen verkrijgt een tandarts een daarmee niet te verwaarlozen economisch belang. Volgens de Hoge Raad was het onredelijk dat een concurrent zich ook kan presenteren als tandarts, zonder dezelfde opofferingen te moeten hebben gemaakt. Het oordeel was dat Dorenbos een in het maatschappelijk verkeer te respecteren, bijzonder belang had bij de naleving van de wet door een concurrent en dat Beukers vanwege deze wetsovertreding onzorgvuldig had gehandeld jegens Dorenbos. Zie bijv. anders het Tandartsen II-arrest (HR 16 september 1988, NJ 1989/505, m.nt. C.J.H. Brunner), waar het hof had vastgesteld dat ‘in brede kring’ de opvatting bestaat dat voor die beperkte werkzaamheden ‘niet steeds volledige tandheelkundige opleiding vereist’ (r.o. 7 van het hof-arrest, aangehaald in r.o. 3.5).
Zo werd de samenwerking tussen huisartsen en apotheek (de huisartsen werden stille vennoten in de apotheek) gezien als belangenverstrengeling, die onrechtmatig was jegens andere apothekers. De rechter oordeelde dat belangenverstrengeling tussen een apotheek en huisartsen ongewenst is. Aangezien het ging om 75% van de huisartsen in de betreffende plaats, was de kans dat de huisartsen de keuze van de patiënt beïnvloedden objectief niet te verwaarlozen. “De belangenverstrengeling bergt […] de mogelijkheid van een onevenredig gunstige en daarmee niet acceptabele concurrentiepositie en daarmee van een grotere bevoorrechte positie dan in een normale concurrentieverhouding toelaatbaar moet worden geacht.” Zie: Hof ’s-Hertogenbosch 11 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2006:AW0703.
Verheij, NJB 2022/3049.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/56 en 75; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.5 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020). Illustratief is: HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743, m.nt. J.C. Schultsz & J.H. Nieuwenhuis (Kalimijnen), r.o. 3.3.2.
In het derde geval is een wettelijke bepaling van toepassing en is die norm geschonden, maar kan aansprakelijkheid niet worden gevestigd vanwege afwezigheid van de relativiteit (art. 6:163 BW). De geschonden norm strekt in dat geval niet ter bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De wetsschending kan echter wel bijdragen aan het oordeel dat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geschonden, die wél strekt tot bescherming van het geschade belang.1 Men noemt dit de correctie-Langemeijer. Langemeijer schreef in de jaren ’30 en ’40 en later, als A-G bij het Tandarts-arrest,2 dat de nadruk in het juridisch discours te veel lag op de relativiteit van de onrechtmatigheidscategorie schending van de wet en dat daarmee schending van de maatschappelijke betamelijkheid als onrechtmatigheidscategorie dreigde te worden vergeten. Langemeijer wilde onder de aandacht brengen dat een gedraging tegelijkertijd onrechtmatig kan zijn wegens een wetsschending en de schending van de maatschappelijke betamelijkheid. Sterker nog, de wetsschending zou doorslaggevend kunnen zijn voor de schending van de maatschappelijke betamelijkheid:
“Het wettelijk verbod is een factor, die van belang is voor de gevoelens, die inbreuk op dat verbod zullen begeleiden bij hem die de inbreuk pleegt en bij anderen; datzelfde verbod beïnvloedt de berekeningen van economische en andere aard, die de rechtsgenoten bij de bepaling van hun gedrag zullen maken en wellicht nog meer. Dit moet naar mijn mening tot de gevolgtrekking leiden, dat het strijdig zijn van een handelwijze met een bepaalde geschreven rechtsregel altijd kan zijn een omstandigheid, die mede in aanmerking komt bij de vraag: of die handelwijze, in verband allicht met nog andere omstandigheden wellicht mede in strijd komt met de ongeschreven rechtsregels bedoeld in [Lindenbaum/Cohen, red. TdW-vdL].”3
De ratio van deze doorwerking is dat elke wetsbepaling in het maatschappelijk verkeer een ‘coördinerende functie’ heeft.4 Doorgaans leeft men wetsbepalingen na en mag men ervan uitgaan dat anderen dit ook doen. Wettelijke regelingen zijn van grote waarde voor de verwachtingen van deelnemers aan het maatschappelijk verkeer. Zij handelen doorgaans op basis van de gerechtvaardigde verwachting dat anderen de wetsbepaling zullen naleven.5
De Hoge Raad heeft de correctie-Langemeijer voor het eerst aanvaard in het Tandarts-arrest.6 De zaak ging om het volgende. Dorenbos verleende tandheelkundige zorg in Tilburg, zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste diploma’s. Beukers, een concurrent-tandarts uit diezelfde woonplaats die wel de juiste papieren had, stelde dat Dorenbos jegens hem een onrechtmatige daad pleegde. De concurrent stelde dat Dorenbos’ praktijk had geleid tot inkomstenverlies, schade aan de reputatie van tandartsen en devaluatie van het tandartsdiploma. De Hoge Raad oordeelde dat aansprakelijkheid niet kon worden gevestigd wegens overtreding van de Wet op de Tandheelkunst uit 1876 en art. 436 Sr., waaruit volgde dat de tandheelkunst alleen mocht worden uitgeoefend indien een persoon een erkend tandartsendiploma had ontvangen, omdat deze bepalingen niet strekten tot bescherming van de belangen van concurrenten. De wettelijke bepalingen strekten immers alleen ter bescherming van de volksgezondheid. De Hoge Raad overwoog dat de wetsschending wel een factor kan zijn, die meeweegt bij de toetsing van de schending van de maatschappelijke betamelijkheid. Of de wetsovertreding daadwerkelijk gewicht in de schaal legt, is afhankelijk van verschillende omstandigheden:
“O. dat de vraag, waarvan het afhangt of dit laatste het geval zal zijn deze is, of, gelet op de betekenis die de overtreding van de betrokken wetsbepaling heeft in het gegeven samenstel van feiten dat tot de benadeling leidt, en gelet mede op de bijzondere omstandigheden die het geval kenmerken, aan dengeen die zich aan de wetsovertreding schuldig maakt, met het oog op de voor hem voorzienbare gevolgen van zijn handelwijze voor anderen, wier belangen daardoor worden aangetast, door die anderen van zijn met de wet strijdig handelen als te hunnen opzichte maatschappelijk onbehoorlijk een verwijt kan worden gemaakt.”
Het uitgangspunt is dat nagegaan moet worden wat de betekenis is van de wetsovertreding voor de benadeling en wat de voorzienbare gevolgen zijn van de wetsovertreding. In dit kader spelen de omstandigheden van het geval een belangrijke rol.
Gelet op de naam van de correctie-Langemeijer kan het beeld ontstaan dat de functie van dit mechanisme is: het corrigeren van een te strikte beperking van de aansprakelijkheid door toepassing van het relativiteitsvereiste. In mijn ogen is dit niet de functie,7 maar eerder het neveneffect. De naam is daarom niet gelukkig. De functie van de correctie-Langemeijer is namelijk het verbinden van de twee onrechtmatigheidscategorieën schending van de wet en handelen in strijd met maatschappelijke betamelijkheid. Deze koppeling blijkt ook uit de bewoordingen ‘de betekenis die de overtreding van de betrokken wetsbepaling heeft in het gegeven samenstel van feiten dat tot de benadeling leidt’ die de Hoge Raad hanteert in het Tandartsen-arrest. De correctie-Langemeijer moet daarom in mijn ogen niet in het kader van het leerstuk van de relativiteit worden besproken, maar in het kader van de inkleuring van het ongeschreven recht. Van der Kooij heeft eerder in vergelijkbare zin betoogd.8 Aan de hand van de correctie-Langemeijer wordt namelijk niet een ongeschreven norm geformuleerd die gelijk is aan de wettelijke bepaling, maar een andere norm.9 In essentie gaat het dus om twee normschendingen:10 ten eerste moet een wettelijke bepaling zijn geschonden en ten tweede moet, beïnvloed door die wetsschending, een ongeschreven norm zijn geschonden. Om tot het oordeel te komen dat een ongeschreven norm is geschonden, is de enkele wetsschending niet voldoende. Uiteraard kan in veel gevallen ook zonder die wetsschending aan alle componenten van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm zijn voldaan.11 In dat geval is echter geen sprake van toepassing van de correctie-Langemeijer, omdat de koppeling tussen de onrechtmatigheidsrubrieken ontbreekt.
Het bovenstaande kan het beste geïllustreerd worden aan de hand van de rechtspraak. In bijna alle gevallen waarin de laedens een ondernemer was en de correctie-Langemeijer ter discussie stond, was sprake van een geval van oneerlijke concurrentie.12 Hoewel dit leerstuk geen onderdeel vormt van dit proefschrift, licht ik dit voorbeeld toch toe. Centraal staat de vraag of de laedens door het schenden van een wettelijke norm een voordeel heeft verkregen ten opzichte van de gelaedeerde, dat niet had mogen worden verkregen en dat van zodanige aard en omvang is, dat hij daardoor oneerlijk heeft geconcurreerd. De enkele wetsschending geeft een concurrent geen recht op schadevergoeding. Vast moet staan dat die derde is benadeeld door de wetsschending, doordat de laedens een (ongerechtvaardigd) voordeel heeft verkregen. De schending van de eerste (wettelijke) norm moet de schending van de tweede (ongeschreven) norm hebben beïnvloed. Dit is, zoals Van der Kooij terecht opmerkt,13 geen toepassing van de relativiteitsleer, maar een toetsing aan de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Zou een dergelijk geval wel worden geplaatst in de sleutel van een correctie op het relativiteitsvereiste, dan zou alleen voldoende hoeven zijn voor het onrechtmatigheidsoordeel of de schade van de gelaedeerde als gevolg van de wetsschending voorzienbaar was.14 Dit kan, zoals de Hoge Raad laat zien in Tandartsen II en Astrazeneca/Menzis, geen stand houden.15 De wetsschending is niet slechts een factor die naast andere factoren van belang is.16 Zoals ik reeds heb aangestipt, gaat het om de koppeling tussen beide onrechtmatigheidsrubrieken. Dit wil niet zeggen dat zonder een wetsschending geen sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie: men kan ook oneerlijk concurreren zonder de wet te schenden. Dit is echter geen toepassing van de correctie-Langemeijer, omdat de wetsschending geen rol speelt bij de inkleuring van de ongeschreven norm. Dit lijkt op het eerste gezicht een theoretisch verschil, maar heeft wel degelijk praktische consequenties.17 Het is doorgaans voor een gelaedeerde makkelijker om aan te tonen dat een laedens in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke betamelijkheid als vaststaat dat diegene een wetsbepaling heeft geschonden, omdat de gelaedeerde in dat geval bij de wettelijke eisen (zoals vergunningsvoorschriften) kan aansluiten om duidelijk te maken dat de laedens een ongerechtvaardigd voordeel heeft verkregen ten opzichte van de benadeelde. Dit volgt uit de ratio van de correctie-Langemeijer, omdat de gelaedeerde erop mocht vertrouwen dat anderen de wet naleven.
In de literatuur is aandacht voor de omstandigheden van het geval die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de correctie-Langemeijer.18 Zo noemt Den Hollander: de verhouding van partijen jegens elkaar, de aard van de normschending, de aard van het geschade belang en maatschappelijke ontwikkelingen.19 In mijn ogen verschillen deze omstandigheden niet wezenlijk van een ‘gewone’ toetsing aan de zorgvuldigheidsnorm. In mijn optiek voegt de zinsnede uit Tandartsen dat ‘de bijzondere omstandigheden van het geval’ van belang zijn, niets nieuws toe. Het kenmerkende aan de correctie-Langemeijer is de koppeling tussen de twee onrechtmatigheidscategorieën.20 Met andere woorden, het gaat dus niet zozeer om het zoeken naar omstandigheden die naast de wetsschending van belang kunnen zijn voor een eventuele schending van het ongeschreven recht,21 maar om de wijze van doorwerking van de wetsschending. De huidige literatuur geeft nog weinig inzichten in hoe deze doorwerking plaatsvindt.
In mijn ogen zijn er in ieder geval twee vormen van doorwerking aan te wijzen. In het eerste geval is de wetsschending een voorwaarde voor het oordeel dat een zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Met anderewoorden, de wetsschending vormt een onderdeel van de zorgvuldigheidsnorm. Een voorbeeld is de opzettelijke normschending.22 In dat geval wordt de wet opzettelijk overtreden om een derde te benadelen. Zonder de wetsschending is geen zorgvuldigheidsnorm overtreden.
In het tweede geval is de wetsschending een oorzaak van een benadeling, een oorzaak van het in het leven roepen van risico’s dan wel een oorzaak van het vergroten van de risico’s. De wetsschending werkt dan als het ware door in een van de omstandigheden die maken dat onrechtmatig is gehandeld.23 Zo werkt in het geval van oneerlijke concurrentie de wetsschending door in de vraag of de laedens onrechtmatig is bevoordeeld. Zo blijkt24 de lagere rechter veelal te onderzoeken of de wetsschending heeft geleid tot minder kosten,25 minder tijdverlies,26 mindere mate van gehoudenheid aan beperkende regelgeving,27 het niet hoeven maken van opofferingen,28 of het verkrijgen van de juiste connecties.29 Verheij heeft geschreven dat de correctie-Langemeijer vanwege deze vorm van doorwerking een beperkt toepassingsbereik heeft en dat de correctie-Langemeijer niet kan worden toegepast in gevaarzettingssituaties.30 Ik ben het in zoverre met hem eens dat een dergelijke koppeling tussen de wetsschending en het ongeschreven recht in gevaarzettingssituaties in veel gevallen niet nodig is om tot aansprakelijkheid te concluderen. Veelal zal niet zozeer de wetsschending als wel de gevaarlijke handeling reden zijn voor het ontstaan of de vergroting van het risico. Toch wil ik de toepassing van de correctie-Langemeijer in gevaarzettingsgevallen niet categorisch uitsluiten. Ook in het gevaarzettingsleerstuk komt gewicht toe aan de ‘gerechtvaardigde belangen van justitiabelen’.31 Hier valt ook onder dat justitiabelen mogen verwachten dat anderen de wet naleven. Hoewel de aansprakelijkheid in veel gevallen los van de wetsschending kan worden vastgesteld, kan de wetsschending wel een objectiever aanknopingspunt vormen. Met de doorwerking van de wettelijke plicht in de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, werkt ook de hoedanigheid van de normadressaat (indirect) door.