Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.1.b
b. Landerijen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479859:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22. H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur”‘, in: WFR 2006/196 spreekt van ‘gronden die een directe functie hebben in het agrarische productieproces of de bosbouw.’
Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 3 (Lid 1 onderdeel q) Landerijen (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Zie nader hfdst. I, onderdeel A.
Ontleend aan: O.P.N. Blom, ‘Geen landbouwvrijstelling voor kassen’, in: FBN 1997/98.
HR 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2204. Zie O.P.N. Blom, ‘Geen landbouwvrijstelling voor kassen’. Y.E. Gassler, M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, § 2.3.27, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 128. Zie ten slotte H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, in: LTB 2001/2, p. 29. Zie tevens onderdeel C.2 hierna, waar zal blijken dat volgens het Hof Den Haag gebouwen en de ondergrond daarvan onder omstandigheden wel kunnen kwalificeren als cultuurgrond, de opvolger van de term ‘landerijen’. M.i. is dit een onjuiste beslissing.
Hof Den Haag 20 januari 1982, nr. 145/81, BNB 1983/100. Zie ook HR 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2204, V-N 1997, p. 4226.
Kamerstukken II 1997/1998, 25688, nr. 7, p. 3-4.
Zie de onderdelen A.2 t/m 4 en E.2 van dit hoofdstuk.
Rb Den Haag 22 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11084, Notamail 2013/242.
De economische eigendom uiteraard sinds 31 maart 1995 18:00 uur. Zie tevens S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 128.
T.a.v. het recht van beklemming geldt dat het NBW deze rechten niet meer kent. Bestaande beklemrechten blijven echter in stand. Zie tevens W. Breemhaar, W.C.J. Robert, ‘Het beklemrecht’, in: Ars Aequi 1977/3.
Onder het begrip ‘landerijen’ diende te worden verstaan gronden welke bestemd zijn voor agrarische doeleinden, zoals landbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw.1 In § 37, onderdeel a van de Toelichting WBR was bepaald dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van landerijen, de beslissingen inzake de toepassing van artikel 28 lid 2 van de Registratiewet 1917 (de voorloper van artikel 14, lid 2, WBR) tot richtsnoer moesten worden genomen.2
De geschiedenis van het begrip landerij gaat echter nog verder terug; tot 1882. De minister antwoordde in dat jaar op een vraag naar het nieuwe begrip ‘landerij’ in de Eerste Kamer naar aanleiding van een wijziging van de Frimairewet van 1798, 3 die op zijn beurt moest plaatsmaken voor onze huidige wet: ‘Men heeft niet het woord onroerende goederen kunnen bezigen, want de gebouwde eigendommen behooren er niet toe.’4
Als landerijen konden niet worden aangemerkt gebouwen en de ondergrond daarvan, zoals ook blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997.5 Een belangrijk verschil met de vrijstelling van onderdeel l derhalve, waarover meer in onderdeel 5.b hierna. Grond aangekocht om te dienen als weg om landerijen te kunnen bereiken kon wel als landerij worden gekwalificeerd.6
Bij Nota van Wijziging7 heeft de wetgever de daarvoor in aanmerking komende vrijstellingen van overdrachtsbelasting uitdrukkelijk ook van toepassing willen doen zijn bij uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf. Het hiervoor vermelde arrest van 25 juni 1997 liet toepassing van de vrijstelling op ondergronden van glasopstanden niet toe, zelfs niet in het geval waarin die grond als kweek- of teeltmiddel wordt gebruikt. Daarom was sinds 1 januari 1998 in artikel 15, lid 1, onderdeel q na het woord ‘landerijen’ de volgende zinsnede opgenomen: ‘en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden.’ Door deze opname in de wettekst schiep de wetgever duidelijkheid. De toevoeging gold uiteraard enkel voor de toepassing van de vrijstelling. Dezelfde toevoeging was overigens opgenomen in de wetteksten van de onderdelen s (oud), t, v en w.8 De glasopstanden zelf vielen overigens niet onder het begrip ‘landerijen’ zo is op 22 augustus 2013 door de Rechtbank Den Haag beslist.9
De vrijstelling gold niet alleen bij de verkrijging van juridische of economische eigendom10 van landerijen, maar ook bij de verkrijging van het recht van erfpacht of beklemming11 daarop.