Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.1.d
d. Naburigheid
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476172:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Y.E. Gassler, M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, § 2.3.27.B.d.
Handelingen II 1970/1971, 24 september 1970, p. 238.
Titel 4 van Boek 5 BW.
Bijv. art. 5:37 t/m 5:40 BW.
Zie tevens HR 5 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4617, BNB 1991/214, V-N 1991, p. 2487, punt 12.
Resolutie van 16 december 1974, nr. B71/23037. Zie tevens H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur’”.
Ingevoerd bij KB van 14 december 2000, Stb. 565. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 4 (Lid 1 onderdeel q) Naburigheid (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15, alsmede H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 30.
Aldus § 37, lid 6, van de Toelichting WBR. Men ontware hier een deel van de criteria, zoals omschreven door de staatssecretaris in diens resolutie van 16 december 1974, nr. B71/23037.
Besluit van 17 juli 1990, Infobull. 1990/525.
Zie HR 5 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX3899, BNB 1975/273.
Voor een uitgebreid overzicht zij verwezen naar Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 4 (Lid 1 onderdeel q) Naburigheid (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, bijlage 2.
Hof Arnhem 5 februari 1973, ECLI:NL:GHARN:1973:AX4778, BNB 1973/269.
Hof Arnhem 16 februari 1973, ECLI:NL:GHARN:1973:AX4713, BNB 1973/272. Zie tevens onderdeel d hiervoor.
Hof Den Haag 14 mei 1973, ECLI:NL:GHSCR:1973:AX4682, BNB 1974/114.
Hof Den Bosch 29 maart 1974, ECLI:NL:CHSHE:1974:AX4292, BNB 1974/305.
Hof Leeuwarden 23 april 1974, PW 18315.
Hof Leeuwarden 29 april 1974, ECLI:NL:GHLEE:1974:AX3548, BNB 1975/21.
Hof Den Haag 18 augustus 1977, ECLI:NL:GHSGR:1977:AX2833, BNB 1978/323.
HR 24 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9823, BNB 1981/49.
Hof Den Haag 4 maart 1982, ECLI:NL:GHSGR:1982:AW9171, BNB 1983/114, PW 19 083. Zie tevens onderdeel C.3.C.1 van het vorige hoofdstuk.
Hof Arnhem 3 juni 1985, nr. 979/1984, PW 19416.
Hof Leeuwarden 25 september 1987, ECLI:NL:GHLEE:1987:AW7167, BNB 1989/82.
Hof Arnhem 14 november 1989, nr. 1850/1988, PW 19784.
Hof Leeuwarden 25 mei 1990, Infobull. 90/525, PW 19833. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister op 17 juli 1990 het hiervoor omschreven beleid ontwikkeld. Zie tevens redactie FBN, ‘Vrijstelling overdrachtsbelasting wegens verbetering landbouwstructuur’.
HR 5 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4617, BNB 1991/214.
Hof 7 mei 1992, nr. 970/91, PW 20108. In deze procedure werd door belanghebbende nog verwezen naar een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in december 1990 uitgegeven brochure getiteld ‘Vrijstelling overdrachtsbelasting Verklaring verbetering van de landbouwstructuur’. Belanghebbende beriep zich op het aan deze brochure te ontlenen en in rechte te respecteren vertrouwen dat, naar de criteria van de brochure gemeten, sprake was van naburigheid. Het Hof verwerpt deze stelling, aangezien de brochure slechts inging op de hoofdlijnen van de diverse criteria, niet inging op naburigheid tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ landerijen, maar enkel de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de verkregen grond besprak. Bovendien was de brochure niet afkomstig van de met belastingheffing belaste overheidsdienst. Ten slotte stond in de brochure expliciet vermeld dat aan haar inhoud geen rechten konden worden ontleend. Zie r.o. 2.1. en 3.3.a t/m c. Wellicht had een dergelijke toevoeging/disclaimer aan de Instructie Kavelruil ook een hoop onduidelijkheid kunnen voorkomen.
Zie in dit kader tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 11: ‘De vrijstelling naburige landerijen heeft daarentegen in het verleden wel voor veel jurisprudentie gezorgd, met name op het terrein van de naburigheid. Aanvullende regelgeving (artikel 6a Uitvoeringsbesluit WBR) heeft de stroom jurisprudentie min of meer doen opdrogen.’
HR 30 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AX0065. Zie tevens HR 5 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX3899, BNB 1975/273 en HR 5 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4617, BNB 1991/214.
Resolutie van 1 september 1972, nr. B72/15735, PW 18209 sub 1. Zie tevens grenspost 3D, onderdeel B.l.
Zie nader grenspost 3C, onderdeel A.
Hof Den Bosch 26 maart 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1219. Zie tevens A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, in: FBN 2001/77, p. 9, alsmede H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur’”.
Besluit van 10 oktober 2000, nr. CPP2000/924, V-N 2001/2.25.
A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 7.
ABRS 15 januari 2001, nr. 200003100/1, niet gepubliceerd. Zie tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.6J.3.
De landerijen die de verkrijger reeds in zijn bezit had, dienden naburig zijn aan de nieuw verkregen landerijen. Verwarrend was dat in de Toelichting WBR in dit kader gesproken werd van ‘aangrenzende’ landerijen. De term ‘aangrenzend’ is echter niet synoniem aan ‘naburig’; laatstgenoemd begrip is een stuk ruimer.1 De wetgever heeft tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer van het amendement waarbij artikel 15, lid 1, onderdeel q is ingevoerd, enige woorden aan het begrip naburigheid gewijd.2 Daarbij verwees de minister naar het burenrecht in het Burgerlijk Wetboek.3 Hiermee werd de verwarring zo mogelijk nog groter, omdat er in het burenrecht geen algemeen geldend begrip ‘naburig’ bestaat: de ene keer worden er uitsluitend aangrenzende erven mee bedoeld, 4 terwijl er de andere keer tevens niet-aangrenzende erven mee worden bedoeld.5 De enige conclusie die uit de wetsgeschiedenis is te trekken, is dat ‘naburig’ ruimer is dan ‘aangrenzend’, maar hoeveel ruimer is niet te zeggen.6 De praktijk werd dus vanaf de invoering van dit nieuwe criterium met onduidelijkheid opgezadeld. Dit zal ook blijken uit de hierna te bespreken jurisprudentie.
De staatssecretaris van Financiën heeft in een resolutie van 16 december 19747 het begrip ‘naburig’ als volgt omschreven:
“(…) indien zij ten opzichte van de verkregen landerijen zodanig zijn gelegen dat deze van eerste bedoelde landerijen redelijk bereikbaar zijn hetzij rechtstreeks, hetzij langs een niet te grote of te moeilijke omweg over de openbare weg en zonder dat men zich behoeft te begeven over de eigendom van een derde anders dan krachtens een verkregen recht.”
Ook deze omschrijving maakte geen einde aan de bestaande onduidelijkheid.
Gelukkig is de naburigheidseis uiteindelijk, per 1 januari 2001, nader geconcretiseerd in artikel 6a, lid 1, onderdeel a UBBR.8 Uit dit artikel bleek dat landerijen als naburig konden worden beschouwd wanneer zij ten opzichte van de verkregen landerijen zodanig gelegen waren dat de afstand tussen de oude en de nieuwe landerijen niet groter is dan tien kilometer. Deze afstand werd gemeten over de openbare weg en zonder dat men zich hoefde te begeven over het eigendom van een derde, anders dan krachtens verkregen recht.9 De tijd gedurende welke de eerstbedoelde landerijen reeds in juridische eigendom, economische eigendom, erfpacht of beklemming van de verkrijger waren, was hierbij irrelevant.
De invoering van artikel 6a, lid 1, onderdeel a UBBR maakte een einde aan de bonte verzameling jurisprudentie over het naburigheidsvereiste. Vóór de invoering van dit artikel was men aangewezen op de rechtspraak. Daarnaast bestond er sinds 17 juli 1990 een praktische handelwijze, door de staatssecretaris aangekondigd, 10 inhoudende dat er tot een afstand van vijf kilometer sprake was van naburigheid, terwijl dit bij een afstand tussen de vijf en zes kilometer afhankelijk was van de feiten en omstandigheden.11 Dit tot 1 januari 2001 geldende beleid bood weliswaar enige houvast, maar de onduidelijkheid bleef niettemin aanwezig. Met name in de periode tot juli 1990 diende de praktijk zich te redden met een verzameling van diverse, elkaar soms tegensprekende uitspraken van verschillende gerechtshoven en arresten van de Hoge Raad. Een kleine, willekeurige selectie ter illustratie:12
Hof Arnhem 5 februari 1973:13 afstand van vijf à zes kilometer is niet naburig;
Hof Arnhem 16 februari 1973:14 vijf kilometer is niet naburig;
Hof Den Haag 14 mei 1973:15 vier à vijf kilometer is naburig;
Hof Den Bosch 29 maart 1974:16 drie à vier kilometer is naburig;
Hof Leeuwarden 23 april 1974:17 vier kilometer is naburig;
Hof Leeuwarden 29 april 1974:18 vier kilometer is niet naburig;
Hof Den Haag 18 augustus 1977:19 zes à zeven kilometer is niet naburig;
Hoge Raad 24 december 1980:20 drie kilometer over de weg en anderhalve kilometer per veerpont is niet naburig;
Hof Den Haag 4 maart 1982:21 drie à vier kilometer is naburig;
Hof Arnhem 3 juni 198 5:22 bijna twee kilometer per veerpont en bijna zes kilometer over de weg is naburig;
Hof Leeuwarden 25 september 1987:23 vijf kilometer is naburig;
Hof Arnhem 14 november 1989:24 zeven kilometer is niet naburig;
Hof Leeuwarden 25 mei 1990:25 vijfenhalf kilometer is naburig;
Hoge Raad 5 juni 1991:26 zeven kilometer is niet naburig;
Hof Leeuwarden 7 mei 1992:27 zes kilometer is niet naburig, gelet op de omstandigheid dat de verbindingsweg tussen de landerijen door een dorpskern loopt.
Uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie blijkt nog maar eens het belang van artikel 6a, lid 1, onderdeel a UBBR.28 Een andere reden waarom dit artikel is ingevoerd, is dat er samenloop ontstond van het naburigheidscriterium met het criterium van de verbetering van de landbouwstructuur. Het begrip ‘naburigheid’ kon namelijk worden gezien als facet van de verbetering van de landbouwstructuur.29 Hierop zal in het volgende onderdeel nader worden teruggekomen.
Onder ‘naburige landerijen’ konden volgens de staatssecretaris30 overigens alleen in Nederland gelegen landerijen worden verstaan. Landerijen gelegen over de Belgische of Duitse grens konden dus niet worden meegenomen bij een beoordeling of recht bestond op de vrijstelling van onderdeel q bij een verkrijging van in Nederland gelegen landerijen. Deze geografische beperking bleek niet uit de wettekst en was wellicht discriminatoir in relatie tot het Europese recht (strijd met het vrije verkeer van goederen).31 Uit de rechtspraak32 bleek ook dat voor deze beperking inderdaad geen juridische basis aanwezig was. Het begrip ‘naburig’ kon dus wel degelijk ook in grensoverschrijdende gevallen worden toegepast. Grensboeren konden derhalve hun over de landsgrens gelegen landerijen betrekken in het oordeel of recht bestond op de vrijstelling. Uiteraard dienden, met het oog op artikel 2 lid 1 WBR, de verkregen gronden zelf wel in Nederland te liggen. Deze ‘grensoverschrijdende’ toepassing van de naburigheidseis biedt natuurlijk een prachtig ‘doorkijkje’ naar en opwarmertje voor de in grenspost 3D te behandelen vraag of grensoverschrijdende kavelruil mogelijk en wenselijk is. De piketpalen voor deze gedachtenvorming blijken dus al onder het regime van de oude ‘q-vrijstelling’ te zijn geslagen. Ook biedt deze ‘internationale’ visie op agrarische gronden mijns inziens een extra aanknopingspunt om de ‘provinciaalterritoriale koers’ van de kavelruil op subsidieterrein, zoals in grenspost 1, hoofdstuk II, onderdeel F.5 besproken, te heroverwegen. Voor hernieuwd rechtsprovincialisme is naar mijn mening geen plaats, vooral niet nu blijkt dat zelfs begrenzingen op nationaal niveau in rechte sneuvelen.
Ten slotte was geen sprake van naburigheid ingeval sprake was van onverdeelde aandelen in onroerende zaken. Verdelingen van landerijen tussen mede-eigenaren, ter opheffing van deze onverdeeldheden, konden daarom niet onder de vrijstelling van onderdeel q vallen. Bij Besluit van 10 oktober 200033 werd goedgekeurd dat toch sprake kon zijn van naburige landerijen, indien bij de verdeling de onverdeeldheid ten aanzien van ten minste één der gerechtigden werd opgeheven.34 Zoals in onderdeel C.7.d van het vorige hoofdstuk beschreven, gold ook bij kavelruil onder het regime van de Landinrichtingswet soortgelijk beleid als hiervoor omschreven: opheffing van een onverdeeldheid via een kavelruil was niet mogelijk. De vraag komt op waarom de bestuursrechter in 2001, in de kavelruil Wilnis-casus35 deze goedkeuring niet analoog heeft toegepast.