Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.1.c
c. Oppervlakte- en bezitseis
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478615:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Opvallend is dat de overige beperkte rechten (vruchtgebruik, erfdienstbaarheid en opstal) niet onder deze vrijstelling vielen (behoudens met toepassing van de hardheidsclausule uit art. 63 AWR). Zie tevens S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 128.
Aldus Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 23.
Ontleend aan § 37, onderdeel e van de Toelichting WBR, alsmede aan Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 7 (Lid 1 onderdeel q) Niet groter dan het ‘oude’ bezit (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Zie onderdelen A.2 t/m A.4, alsmede onderdeel E.2 van dit hoofdstuk.
Resolutie van 18 februari 1972, nr. B72/2748, PW 18177 sub I, V-N 3 maart 1973, punt 19.
Resolutie van 6 oktober 1972, nr. B72/22 105, V-N 1973, p. 580, punt 16, PW 18209 II. Zie tevens H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 29.
Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22.
Aldus H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 29.
Aldus S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998(1)’, p. 128.
Aldus Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 5 (Lid 1 onderdeel q) Vijfjarig bezit (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 129.
Zie S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 ( 1 )’, p. 128. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 5 (Lid 1 onderdeel q) Vijfjarig bezit (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. In Infobull. 89/44, V-N 1989, p. 650, punt 17 (PW 19671) is een goedkeuring van de staatssecretaris opgenomen, inhoudende dat de bezitstermijn van de rechtsvoorganger van de verkrijger eveneens wordt meegeteld in gevallen waarin de verkrijger de naburige landen heeft verkregen in het kader van een interne reorganisatie als bedoeld in art. 15, lid 1, onderdeel h, WBR, mits de landerijen zijn verkregen van de moedermaatschappij/enig aandeelhouder van de verkrijger. Tevens gold de goedkeuring ingeval van verkrijging van de enig aandeelhouder van verkrijger krachtens inbreng van een gehele onderneming als bedoeld in art 15, lid 1, onderdeel e, WBR.
Hof Den Haag 17 januari 1990, ECLI:NL:GHSGR:1990:AW6871, V-N 1990, p. 755, punt 1. Zie tevens redactie FBN, ‘Vrijstelling overdrachtsbelasting wegens verbetering landbouwstructuur’, in: FBN 1990/186.
Hof Den Bosch 11 mei 1987, nr. 5139/1983, Infobull. 1987/595, BNB 1988/255.
Zie nader onderdeel e hierna.
Hof Arnhem 5 februari 1973, ECLI:NL:GHARN:1973:AX4778, BNB 1973/269, V-N 16 februari 1974, alsmede PW 18238.
Zie D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 39.
Resolutie van 7 februari 1973, PW 18239, BNB 1973/80 (de zgn.’Ruilverkavelingsresolutie’). Zie tevens onderdeel B.3.C. van het vorige hoofdstuk, alsmede F.A.M. Schoenmaker, ‘Ontwikkelingen inzake de toepassing van artikel 15.1.t (en 15.1.q) WBR’. De tegemoetkoming is opnieuw geformuleerd in de resolutie van 27 december 1988, nr. 1B 88-1084. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 12 (Lid 1 onderdeel q) Ruilverkaveling (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Die, zo nodig, met toepassing van artikel 63 AWR plaatsvindt, aldus Leeuwarden 26 juli 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6027, V-N 2002/38.2.13.
HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:A03306, Notamail 2004/38.
Hof Leeuwarden 26 juli 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6027, V-N 2002/38.2.13. Zie tevens onderdeel C.5 hierna, alsmede hfdst. 11, onderdeel C.3.c.
Hof Arnhem 16 februari 1973, ECLI:NL:GHARN:1973:AX4713, BNB 1973/272. Deze uitspraak is tevens van belang i.h.k.v. de naburigheidseis, zoals hierna in onderdeel d behandeld.
Besluit van 2 mei 2000, nr. VB 1999/2604, per 1 januari 2002, in verband met de vervanging van de gulden door de euro, herzien en vervangen door het besluit van 27 november 2001, CPP2001/2182, V-N 2001/63.1.3.
Ontleend aan: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 13 (Lid 1 onderdeel q) Hervestiging van landbouwbedrijven (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens F.A.M. Schoenmaker, ‘Ontwikkelingen inzake de toepassing van artikel 15.1.t (en 15.1.q) WBR’, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 148. Zie ten slotte M.J.P.C. Steinbusch, ‘Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 8.
De vrijstelling gold slechts, voor zover de oppervlakte van de verkregen gronden niet groter was dan het naburige land dat de verkrijger reeds gedurende ten minste vijf jaren in juridische eigendom, economische eigendom, erfpacht of beklemming1 had. Deze voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling viel uiteen in twee vereisten: de oppervlakte-eis (‘niet groter dan…’) en de bezitseis (‘ten minste vijfjaren’). Beide vereisten waren in de wettekst opgenomen om splitsing van aankopen te voorkomen.2 Wanneer de verkrijging de maximale oppervlakte overschreed, dan werd slechts overdrachtsbelasting geheven over het meerdere, waarbij de prijs naar rato van de grootte moest worden omgeslagen over het vrijgestelde en het belaste deel van de landerijen, 3 De reeds bekende maximering van de vrijstelling, zoals gezien bij de onderdelen t, v en w en, zoals nog behandeld zal worden, bij onderdeel s (oud), gold derhalve ook bij onderdeel q (oud).4 Deze omslagmethode moest voor elke verkrijging afzonderlijk worden toegepast (dus voorafgaand aan de toepassing van de hierna in onderdeel e te bespreken samentelling voor verkrijgingen binnen vijfjaar).
Uit een resolutie van de staatssecretaris uit 1972 bleek, ten aanzien van de oppervlakte-eis, dat landerijen, behorend tot het privêvermogen van de echtgenoot van de verkrijger, met wie hij op huwelijkse voorwaarden gehuwd was, niet meetelden bij de bepaling van de omvang van de vrijstelling. Dit gold zelfs wanneer de landerijen in gebruik waren bij de verkrijger.5 De staatssecretaris zag geen aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule in dergelijke gevallen. Ingeval de verkrijger in gemeenschap van goederen gehuwd was en zijn echtgenoot niet mede optrad, werd de vrijstelling toegepast tot een beloop van de totale oppervlakte van de tot de huwelijksgemeenschap behorende landerijen en niet slechts tot de aan de verkrijger toe te rekenen helft. Dit omdat, volgens de staatssecretaris, kon worden aangenomen dat de verkrijger voor de gemeenschap heeft gehandeld, zodat ook zijn echtgenoot voor de helft als verkrijger kon worden aangemerkt.6
De ibezitseis was, zo blijkt uit de toelichting bij het hiervoor in onderdeel a besproken amendement, in de wet opgenomen om misbruik van de vrijstelling door splitsing van aankopen en spreiding over verschillende jaren te voorkomen.7 Gedurende deze periode mocht de verkrijger niet eerder gebruik hebben gemaakt van de verkregen oppervlakte grond, waarvoor hij een beroep deed op de vrijstelling.8 Het was daarbij niet van belang krachtens welke titel de naburige landerijen destijds verkregen waren.9 De termijn van vijf jaar ving aan op het moment van de civielrechtelijke verkrijging. Dit moment was niet, zoals bij het fiscale verkrijgingsbegrip ex artikel 2 juncto artikel 8 WBR, het tijdstip van het opmaken van de akte van levering van de naburige landerijen, maar het moment van inschrijving van de akte in de openbare registers. Artikel 3:89 BW was derhalve bepalend. De vraag of de vijfjaarstermijn voltooid was, moest echter wél worden beoordeeld naar het tijdstip van het opmaken van de akte van verkrijging van de nieuwe landerijen en dus niet naar het moment van inschrijving van die akte.10 Uit § 37, lid 7 van de Toelichting WBR bleek dat goedgekeurd was dat, voor de bezitseis, de tijd die een rechtsvoorganger van wie krachtens erfrecht was verkregen de landerijen reeds in eigendom had, door de verkrijger mocht worden meegerekend. Dit gold ook in het geval dat de verkrijger de landerijen die hij reeds bezit had, had verworven in het kader van de overdracht van een onderneming op de voet van artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR.11
In de rechtspraak zijn voorts nog enkele uitspraken gedaan, die betrekking hebben op de persoon van de verkrijger. Zo bepaalde Hof Den Haag12 dat de omstandigheid dat de verkrijger zijn hoofdberoep niet in de landbouw heeft, niet aan toepassing van de vrijstelling in de weg staat. In dezelfde uitspraak is bepaald dat de leeftijd van de verkrijger (in casu 66 jaar) geen beletsel vormt voor de toepassing van de vrijstelling. Ook hoefde volgens Hof Den Bosch13 de verkrijger geen ondernemer te zijn. Ook een belegger leek dus te kunnen profiteren van de vrijstelling (mits hij aan alle eisen voor de toepassing van de vrijstelling voldeed).14 Ten slotte heeft Hof Arnhem15 beslist dat, bij een verkrijging door een personenvennootschap (in casu een maatschap), iedere vennoot afzonderlijk moet worden getoetst aan de bezitseis. Indien naburige landerijen sinds meer dan vijf jaar in het bezit van de vennootschap zijn, maar is een van de vennoten minder dan vijf jaar geleden tot de vennootschap toegetreden, dan was de vrijstelling van onderdeel q van toepassing naar rato van het aantal vennoten dat meer dan vijf jaar geleden is toegetreden, aldus het Hof.
De bezitseis vormde, zoals in onderdeel B.3.C van het vorige hoofdstuk reeds besproken, aanleiding tot goedkeurend beleid van overheidswege. De vijfjaarstermijn kon namelijk in bepaalde situaties onnodig vertragend werken: na een bepaalde gebeurtenis (bedrijfsverplaatsing, ruilverkaveling) ging de vijfjaarstermijn immers weer opnieuw in, zodat men vijf jaar ‘in de wacht gezet’ werd.16 Zo is bij Resolutie van 7 februari 197317 bepaald dat voor zover de reeds in bezit zijnde landerijen verkregen zijn krachtens toedeling in het kader van een ruilverkaveling, de aldus verkregen landerijen geacht werden in de plaats te treden van de in de ruilverkaveling ingebrachte landerijen. Zonder de bij deze Resolutie gecreëerde fiscale zaaksvervanging zou na de ruilverkaveling, in verband met de bezitseis, vijf jaar moeten worden gewacht voordat ten aanzien van de toegedeelde gronden de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel q, WBR kon worden ingezet. Deze goedkeuring18 zag, zoals gezegd, op de vijfjaarseis (en op de hierna in onderdeel f te bespreken samenvoeging), maar (uiteraard) niet op de naburigheidseis. Voor deze laatste eis moest gekeken worden naar de situatie na toedeling. Naar aanleiding van deze situatie moest (zelfstandig) worden beoordeeld of aan deze eis voldaan was. In dit kader was goedgekeurd dat ingebrachte landerijen aan de naburigheidseis voldeden als de vervangende landerijen aan die eis voldeden.
Omtrent de uitleg van de Resolutie is in 2004 geprocedeerd bij de Hoge Raad.19 Ons hoogste rechtscollege heeft in deze procedure de visie van het Hof gevolgd, 20 inhoudende dat wanneer slechts een gedeelte van de aangekochte landerijen via een ruilverkaveling verkregen wordt, de Resolutie alleen voor dat deel van de landerijen gold. De overige, niet via ruilverkaveling verkregen gronden werden dan niet geacht in de plaats te zijn getreden van de overige landerijen. In dezelfde lijn heeft Hof Arnhem op 16 februari 1973, dus vóór publicatie van de Ruilverkavelingsresolutie, geoordeeld dat de fiscale zaaksvervanging kon worden toegepast tot geen grotere oppervlakte dan die van de ingebrachte landerijen. Voor een surplus aan toegedeelde landerijen gold als tijdstip van verkrijging dat van de inschrijving van de akte van toedeling.21
Eenzelfde goedkeuring is verleend in het kader van de hiervoor in onderdeel A.2 besproken vrijstelling van onderdeel t. De staatssecretaris van Financiën heeft op 2 mei 200022 een tegemoetkoming verleend, inhoudende dat landerijen die op grond van een hervestiging van het landbouwbedrijf als bedoeld in onderdeel t vrij van overdrachtsbelasting zijn verkregen, geacht werden voor de eis van vijfjarig bezit in de plaats te zijn getreden van de door de verkrijger in het kader van die hervestiging afgestane landerijen. Mits aan de overige vereisten van onderdeel q is voldaan, kon deze laatste vrijstelling toepassing vinden op latere aankopen na de hervestiging.23
Hetzelfde gold, mutatis mutandis, voor de vrijstelling van onderdelen v en w, hiervoor in de onderdelen A.3 en A.4 besproken. Ten aanzien van een met gebruikmaking van de vrijstelling van onderdeel v respectievelijk w verplaatst agrarisch respectievelijk glastuinbouwbedrijf kon binnen vijf jaar na de hervestiging bij de aankoop van naburige landerijen geen beroep worden gedaan op de vrijstelling van onderdeel q. Een analoge toepassing van de Ruilverkavelingsresolutie of een separaat goedkeuringsbesluit, zoals bij onderdeel t het geval was, had op dit punt uitkomst kunnen bieden. Dit is echter niet gebeurd. Niettemin zijn mij uit de literatuur en in de jurisprudentie geen gevallen gebleken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de afwezigheid van een dergelijke goedkeuring voor praktische problemen heeft gezorgd.