Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.1.a
a. Algemeen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472461:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22, ingediend door de Kamerleden Koning en Kieft. Zie tevens § 37 van de Toelichting WBR alsmede Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2 (Lid 1 onderdeel q) De vrijstelling in algemene zin (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Handelingen II 1970/1971, 24 september 1970, p. 225-226.
Handelingen II 1970/1971, 24 september 1970, p. 236.
Hierna tevens: BOR.
Artt. 35b t/m 35f Successiewet 1956. Hierna tevens: SW.
Rb Breda 13 juli 2012 ECLI:NL:RBBRE:2012:BX3386.
Zie o.a. J.P.M. Stubbé, B.M.E.M. Schols, ‘Bedrijfsopvolgingsregeling SW discriminatoir?’, in: FBN 2012/ 9, J.P.M. Stubbé, ‘Zomermix’, in: FBN 2013/38, B.M.E.M. Schols, ‘Van Breda tot Karlsruhe, gelijke successierechtelijke ongelijkheid’ en M.J. Tolsma, ‘Bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 discriminatoir?’, in: LTB 2012/34.
HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206/1209/1210/1211/1212, Notamail 2013/312, V-N 2013/ 64.17 en NTFR 2013/2322.
Zie o.a. J.P.M. Stubbé, ‘Beslissing Hoge Raad over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de SW’, in: FBN 2013/66, A. Visscher, ‘Bedrijfsopvolgingsregeling schenk- en erfbelasting niet discriminatoir’, in: Agrarisch recht 2013/12, alsmede E. Thomas, ‘Collectieve uitspraak op bezwaar aanslagen erf- en schenkbelasting’, in: NTFR 2013/2382.
Ontleend aan: Notamail 2013/312.
Wet van 18 december 1995, Stb. 1995, 659.
Wet van 18 december 1997, Stb. 1997, 731. Zie tevens Kamerstukken II 1997/1998, 25688. De gewijzigde vrijstelling is met terugwerkende kracht in werking getreden vanaf 1 januari 1998.
Kamerstukken II 1997/1998, 25688, nr. 3, V-N 1997, p. 4010.
Besluit van 22 juni 1971 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, Stb. 1971, 393. Hierna tevens: UBBR.
Zie nader onderdeel e hierna. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 21.
Het moge duidelijk dat ik daarbij geen volledigheid pretendeer. Literatuur en jurisprudentie zullen slechts selectief aan de orde komen: enkel indien het geschreven woord of de rechterlijke beslissing een ‘kavelruil-belang’ dient, zal deze worden behandeld.
Tot 1 januari 2007 luidde de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 15, lid 1, onderdeel q als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…)
q. van landerijen – of van een recht van erfpacht of beklemming daarop – tot een oppervlakte niet groter dan de oppervlakte van de naburige landerijen die de verkrijger reeds gedurende tenminste vijfjaar in eigendom, erfpacht of beklemming heeft, is vrijgesteld, mits de verkrijging in het belang is van een verbetering van de landbouwstructuur: verkrijgingen binnen het tijdsverloop van vijfjaar door dezelfde verkrijger worden als één verkrijging beschouwd.”
Deze vrijstelling is tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op belastingen van rechtsverkeer in 1970 bij amendement1 in de wet opgenomen, ondanks verzet van staatssecretaris Grapperhaus.2 De opmerkingen van Kamerlid Van Laak (KVP), net als de staatssecretaris tegenstander van opname van het amendement, zijn in dit kader illustratief en geven het hiervoor in onderdeel A.l behandelde (en tot op heden aanwezige) sentiment ten aanzien van de fiscale ‘bevoordeling’ van de agro-sector treffend weer. Van Laak merkte namelijk het navolgende op:
“De indieners van het amendement hebben geredeneerd, dat het van belang is – ik zal de laatste zijn om dit belang te ontkennen – om, ter verbetering van de landbouwstructuur, een dergelijke verkrijging vrij te stellen. Er staan echter zeer zwaarwegende argumenten tegenover. Het eerste argument, waarvan mijn fractie meent, dat het zwaar moet wegen, is de ongelijke rechtsbedeling, die zou ontstaan, tussen het landbouwbedrijf en de rest van het bedrijfsleven. Ik kan mij voorstellen dat er even grote problemen een rol spelen – en daarvan zijn in de praktijk voorbeelden te vinden – bij de situatie, waarin een middenstander, juist in het belang van de structuur van zijn bedrijf, moet uitbreiden en een belendend perceel kan kopen. Ik zie geen reden waarom een en ander in de landbouwsector niet zou moeten worden belast en in de middenstandssector wèl. Vanwege deze discriminatie ten gunste van de landbouw menen wij het amendement te moeten afwijzen.”3
Het in de laatste volzin opgenomen begrip ‘discriminatie’ doet denken aan de recente lotgevallen van de bedrijfsopvolgingsregeling4 voor de schenk- en erfbelasting, 5 alwaar een uitspraak van de Rechtbank Breda de nodige stof deed opwaaien, 6 Na een enerverende discussie in de literatuur7 en een reeks proefprocedures, heeft de Hoge Raad op 22 november 2013 in een vijftal arresten8 beslist dat de BOR niet discriminatoir is.9 De Hoge Raad concludeert onder meer dat de faciliteit berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot, zodat de faciliteit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.10 Met de BOR is het derhalve, net als met het oude onderdeel q, goed afgelopen. Ook de opname van deze laatste vrijstelling, specifiek voor de landbouwsector, is mijns inziens, net als bij de BOR het geval is, een bewuste en beargumenteerde keuze van de fiscale wetgever die niet evident van redelijke grond is ontbloot, zodat niet gezegd kan worden dat deze vrijstelling discriminatoir is.
In 199511 en in 199812 is de ‘oude’ q-vrijstelling op diverse punten gewijzigd. Ter gelegenheid van de wijziging in 1998 is in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel een algemene maatregel van bestuur aangekondigd waarin een nadere uitwerking wordt gegeven van de vrijstelling.13 In verband met deze aankondiging is per 1 januari 2001 het Uitvoeringsbesluit Belastingen van Rechtsverkeer14 uitgebreid met artikel 6a. In dit artikel is het begrip ‘verbetering van de landbouwstructuur’ voor de toepassing van de vrijstelling bij verkrijging van naburige landerijen nader geconcretiseerd.15
De ‘oude’ vrijstelling, zoals deze tot 1 januari 2007 van kracht was, heeft door de jaren heen tot veel besluiten en jurisprudentie geleid en heeft veel pennen in beweging gebracht. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat deze vrijstelling zeer veel voorwaarden bevat, die alle voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Ik zal in dit onderdeel de verschillende elementen en voorwaarden uit de ‘oude’ vrijstelling hierna bespreken, uiteraard enkel voor zover noodzakelijk om de verbanden met onderdeel l te kunnen leggen.16