Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.4
6.2.1.4 De Wet op het voortgezet onderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949623:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1963, 40.
Kloosterman 1982, p. 19.
Artikel 27 van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1967, 386).
Kamerstukken II 1958/59, 5350, nr. 26a, p. 12.
Zie het Toelatingsbesluit openbare gymnasia, hogereburgerscholen en middelbare scholen voor meisjes 1965 (koninklijk Besluit van 22 juli 1965, Stb. 1965, 803) en het Besluit v.w.o-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Koninklijk Besluit van 26 oktober 1967, Stb. 1967, 526).
Artikel 11, derde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1967, 386).
Besluit rapport schoolhoofd (Koninklijk Besluit van 29 maart 1968, Stb. 1968, 172 en Beschikking van de staatsecretaris van O en W van 3 februari 1972, KBO-449061.
A. de Regt, ‘Welkom in de ratrace, over de dwang van de Cito-toets’, ATR 2004, p. 297.
Kamerstukken II 1970/71, 10 900 VII, nr. 2, p. 11.
Cito, Jaarverslag 1985, Cito: Arnhem 1986, p. 28.
Zie het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o (Koninklijk Besluit van 6 april 1993, Stb. 1993, 207).
Na de invoering van de Wet op het voortgezet onderwijs1 (Wvo) in 1963 verdween de hoogere burgerschool en kreeg het voortgezet onderwijs zijn huidige categorale indeling in verschillende onderwijsvormen zoals het gymnasium, atheneum, v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. Het was niet de bedoeling van de wetgever om de leerling voor één van deze onderwijsvormen te selecteren op het moment dat deze leerling doorstroomde van de lagere school naar de school voor voortgezet onderwijs.2 Met de introductie van de brugklas in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs beoogde de wetgever het moment van selectie voor een bepaalde onderwijsvorm uit te stellen. Kloosterman schrijft echter dat de brugklas de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het lager onderwijs niet voldoende verbeterde.3 De brugklas was met een jaar te kort en er waren in de praktijk verschillende brugklassen voor verschillende onderwijsvormen die de doorstroom belemmerden. Ook waren er smalle scholengemeenschappen met een beperkt aantal onderwijsvormen waardoor de leerling in de praktijk vaak doorstroomde naar een van deze richtingen.
In de Wvo werd de regelgeving omtrent toelating tot de scholen voor voortgezet onderwijs, net als onder de Wet op het middelbaar onderwijs, gedelegeerd naar een algemene maatregel van bestuur.4 Het voornemen van de wetgever was om een grotere differentiatie van voorwaarden voor de toelaatbaarheid van leerlingen tot het voortgezet onderwijs mogelijk te maken.5 De scholen voor voortgezet onderwijs zouden zelf mogen bepalen welke van de bij algemene maatregel van bestuur genoemde toelatingsvoorwaarden zij zouden hanteren.6 In de memorie van toelichting bij de Wvo werd bij vier mogelijke toelatingsvoorwaarden stilgestaan.7 Ten eerste werd ingegaan op het toelatingsexamen. Dit examen was volgens de wetgever vaak inhoudelijk overladen, waardoor het lager onderwijs te veel ingericht moest worden op het behalen van dit examen. De leerlingen zouden op de lagere school ‘afgericht’ worden om het toelatingsexamen te behalen.8 Ten tweede werd toelating middels de verklaring van het hoofd van de basisschool, ofwel het schooladvies, genoemd. Ook de verklaring stuitte op bezwaren omdat deze verklaring slechts het oordeel van één persoon weergaf, waardoor tussen scholen grote verschillen in de waardering van leerlingen zouden kunnen ontstaan. Ten derde werd de proefklas geopperd als middel om de toelaatbaarheid van leerlingen te bepalen. De leerling zou een aantal lessen mee moeten lopen op het voortgezet onderwijs, zodat de betreffende school kon beoordelen of de leerling geschikt was. Ten slotte werd een psychotechnisch onderzoek geopperd.
In 1965 kwam een nieuw toelatingsbesluit tot stand, dat na inwerkingtreding van de Wvo werd vervangen door het Besluit v.w.o-h.a.v.o.m.a.v.o.9 In beide besluiten werd de toelating op dezelfde wijze geregeld. Het bevoegd gezag van de school van voortgezet onderwijs besloot over de toelating van een leerling. Bij de toelating diende het rapport dat over de leerling was opgesteld door het hoofd van de lagere school te worden geraadpleegd.10 Voor het maken van dit rapport was door de minister een formulier opgesteld waarin onder andere aangegeven moest worden voor welke vorm van voortgezet onderwijs de leerling het meest geschikt was.11 Dit rapport wordt ook wel het schooladvies genoemd.
Om toegelaten te worden tot het eerste jaar van een gymnasium, atheneum, een lyceum of een school voor h.a.v.o. moest de geschiktheid van de leerling nader onderzocht worden door de school voor voortgezet onderwijs. Dit onderzoek moest plaatsvinden aan de hand van een toelatingsexamen, schoolvorderingentoets, proefklas of psychotechnisch onderzoek. De schoolvorderingentoets was een onderzoek bestaande uit een toets over de kennis en het inzicht van de leerling gedurende tenminste zijn laatste leerjaar van de lagere school.12 Deze toets diende afgenomen te worden door de lagere school. De resultaten van de schoolvorderingentoets werden vervolgens beschikbaar gesteld aan de toelatingscommissie van de school voor voortgezet onderwijs. In 1968 werd het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (CITO) opgericht om toetsen – zoals de schoolvorderingentoets – te ontwerpen en deze aan het onderwijs beschikbaar te stellen. In 1970 werden al ruim 40.000 leerlingen van de basisschool geëxamineerd aan de hand van de schooltoets die was opgesteld door het CITO.13 In 1985 was dit aantal opgelopen naar 85.000 leerlingen.14
In 1993 kwam het Besluit v.w.o-h.a.v.o.-m.a.v.o. te vervallen en werd de toelating tot het voortgezet onderwijs geregeld in het Inrichtingsbesluit Wvo.15 De hiervoor geschetste regels voor toelating wijzigden niet behalve dat in het vervolg, behalve voor de toelating tot het v.b.o., het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs van elke leerling, de geschiktheid voor voortgezet onderwijs diende te onderzoeken aan de hand van een toelatingsexamen, schoolvorderingentoets, proefklas of psychotechnisch onderzoek.