Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/3.8:3.8 Samenvatting en conclusie
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/3.8
3.8 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362910:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er is sprake van een autonome Unierechtelijke rechtsorde waarvan geschreven en ongeschreven beginselen deel uitmaken. Bij het erkennen van beginselen kijkt het Hof van Justitie naar hetgeen de lidstaten (nagenoeg) gemeen hebben. De gemengde rechtspositivistische/natuurrechtelijke visie van Gerards lijkt het best te passen bij de wijze waarop het Hof van Justitie omgaat met beginselen en de wijze waarop deze beginselen kunnen doorwerken in de nationale rechtsorde. De beginselen vormen het fundament voor het recht als geheel, maar kunnen alleen geldend recht vormen en doorwerken naar de lidstaten als zij vanuit het positieve recht worden gekend. Het is van belang te onderzoeken wanneer Unierechtelijke beginselen en specifiek het kenbaarmakingsbeginsel doorwerken in het nationale recht. Dat zal in het volgende hoofdstuk plaatsvinden (hoofdstuk 4).
Voorts is duidelijk geworden dat beginselen met elkaar concurreren en beginselen zoveel mogelijk moeten worden vervuld. Om de mate van vervulling te kunnen onderzoeken, zal eerst het beschermingsniveau van het kenbaarmakingsbeginsel moeten worden onderzocht (hoofdstuk 5). Het kenbaarmakingsbeginsel heeft een dubbele waarborgfunctie. Zorgvuldige besluitvorming aan de ene kant en rechtsbescherming aan de andere kant waarbij de nadruk lijkt te liggen op de effectieve rechtsbescherming van de belanghebbende. Het kenbaarmakingsbeginsel kan een rol spelen bij de ongelijkheidscompensatie in de voorfase. De dubbele waarborgfunctie van het kenbaarmakingsbeginsel zal ik betrekken bij het onderzoek naar het beschermingsniveau van dit recht. Hierbij kan de codificatie van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel/kenbaarmakingsbeginsel in het Handvest en het DWU van belang zijn. Bij het onderzoeken van de codificatie in het Handvest ga ik op basis van het onderzoek in dit hoofdstuk ervan uit dat in de artikelen 41, 47 en 48 van het Handvest – waarin het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is gecodificeerd – sprake is van rechten in de zin van het Handvest (paragraaf 3.7). Bij het onderzoek naar de codificatie van het kenbaarmakingsbeginsel in het DWU ga ik ervan uit dat het kenbaarmakingsbeginsel in het DWU als rechtsregel kwalificeert.
Als het beschermingsniveau van het kenbaarmakingsbeginsel is onderzocht, is de volgende stap het onderzoeken van wanneer en onder welke omstandigheden het kenbaarmakingsbeginsel kan worden beperkt (hoofdstuk 6). In onderhavig hoofdstuk is naar voren gekomen dat beginselen relatief zijn en dat zij geen onderlinge vaste ordening kennen. De ordening is (mede) afhankelijk van het begingewicht van de concurrerende beginselen, welk begingewicht door specifieke omstandigheden wordt bepaald. Voor met elkaar concurrerende beginselen is een veelheid aan situaties met verschillende omstandigheden denkbaar. De situatie waarbij niet duidelijk is welke omstandigheden relevant zijn, kan weinig voorspellend werken voor andere situaties. Rechtstoepassers en rechtsuitvoerders dienen bij het gebruik van beginselen zich te realiseren dat beginselen een begingewicht hebben. Bij het gebruik van de beginselen hebben de rechtstoepassers en rechtsuitvoerders een motiveringsplicht en dienen zij consistent te zijn. Door de motiveringsplicht en de consistente toepassing kan inzichtelijk worden welke omstandigheden relevant zijn bij het wegen van specifieke concurrerende beginselen en welk gewicht deze omstandigheden hebben. Onderzoek zal moeten worden gedaan naar de omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel (paragraaf 6.6). Daarbij zal worden onderzocht of het mogelijk is een omstandighedencatalogus op te stellen voor het kenbaarmakingsbeginsel (paragraaf 6.6.4). Bij het onderzoek naar het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel, waarbij met het kenbaarmakingsbeginsel concurrerende beginselen tegen het voldoen aan het kenbaarmakingsbeginsel moeten worden afgewogen, zal rekening moeten worden gehouden met de kanttekeningen die worden geplaatst bij het gebruik van beginselen. Beginselen kunnen namelijk niet altijd onder één noemer worden geplaatst (probleem van onvergelijkbaarheid) en het probleem van vaagheid kan leiden tot onduidelijkheid in de afbakening van beginselen.