Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.3.5.3
13.3.5.3 Geen vergelijkbaar voorschrift voor zuivere splitsingen?
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491669:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 6.2.4.
Dit is uitgebreid behandeld in onderdeel 2.8.2, onder g.
In deze zin versta ik ook Egelie, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 13j, onderdeel 1.4 (bijgewerkt 2-7-2021).
Zie voor een vergelijkbaar voorbeeld Egelie, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 13j, onderdeel 1.4 (bijgewerkt 2-7-2021).
Zie onderdelen 13.3.3.3, 13.3.3.4 en 13.3.3.5.
Voor alle duidelijkheid: het gaat hier over de claim die rust op de aandelen in de splitser die vóór de splitsing in handen zijn van de belastingplichtige/verkrijger. Dit moet worden onderscheiden van de vennootschapsbelastingclaims die eventueel rusten op het vermogen dat in het kader van de zuivere splitsing overgaat van de splitsende rechtspersoon naar de verkrijgende rechtspersoon. De lotgevallen van die claims worden bepaald door het systeem voor de splitsingspartners (art. 14a Wet VPB 1969). Zie daarover hoofdstuk 11.
Zie onderdeel 11.3.10.
Deze standaardvoorwaarde is uitgebreid geanalyseerd in onderdeel 11.4.4.3 en getoetst in onderdeel 12.5.6.
Daarnaast bevat standaardvoorwaarde 1, lid 3 een regeling op grond waarvan een resterende art. 13c (oud)-claim ineens belast vrijvalt. Ik laat dat hier verder onbesproken.
Ik volsta hier met een verwijzing naar onderdeel 11.4.4.3.
Zoals ook al betoogd in onderdeel 12.5.6.3.
Vgl. ook Van Scheijndel & De Vries, WFR 1999/1673, onderdeel 6.2.4.
In de literatuur is tijdens de parlementaire behandeling voorafgaand aan de invoering van art. 13k, lid 5, Wet VPB 1969 de vraag opgeworpen waarom die regeling niet ook geldt voor splitsingen.1 De auteurs verwezen daarbij als voorbeeld naar de splitsingsvariant waarin een joint-venture wordt beëindigd via een aandeelhouderssplitsing:
De vraag van de auteurs is als volgt beantwoord:2
“De schrijvers betogen dat ook voor een juridische splitsing een bepaling moet worden opgenomen die vergelijkbaar is met de zogeheten concernfusie bepaling die is opgenomen in het voorgestelde artikel 13k, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Ons is niet duidelijk waarom daarvoor een voorziening moet worden getroffen omdat deze situatie, de dochter gaat als gevolg van een splitsing op in de moedermaatschappij, civielrechtelijk niet mogelijk is.”
De wetgever is nogal stellig. De vraag of bedoelde splitsingsvariant mogelijk is, wordt in de civielrechtelijke literatuur namelijk verschillend beantwoord.3 Alleen al daarom bestaat de reële kans dat dergelijke splitsingen in de praktijk tot stand komen. En dat roept vervolgens fiscale vragen op (zie ook hierna).4 Door in het geciteerde antwoord slechts te focussen op het door de auteurs gegeven voorbeeld – en dat vervolgens min of meer weg te schrijven – lijkt de wetgever voorbij te gaan aan de kern van de vraag. Naast de zojuist behandelde aandeelhouderssplitsing zijn er namelijk ook andere splitsingsvarianten denkbaar waarbij de deelneming van een verkrijgende rechtspersoon in de splitsende rechtspersoon als gevolg van de splitsing verdwijnt, zonder dat die verkrijger in ruil daarvoor volledig wordt gecompenseerd in de vorm van toegekende aandelen. Zie het volgende voorbeeld:5
V1 heeft een deelneming in S. In het kader van een zuivere splitsing gaat het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) over naar twee verkrijgende rechtspersonen (V1 en de nieuw opgerichte V2). Omdat de aandelen in S vervallen (art. 2:334x, lid 4, BW), verdwijnt de deelneming. Bij de splitsing worden door V2 aandelen toegekend aan V1, maar V1 kent geen aandelen aan zichzelf toe (art. 2:334e, lid 2, BW). De vraag rijst of hier nu een vergelijkbaar potentieel claimhandhavingsprobleem speelt als waarvoor in art. 13k, lid 5, Wet VPB 1969 een regeling is getroffen in het geval van juridische fusies. Dat lijkt gedeeltelijk het geval te zijn als de aandelen van de belastingplichtige/verkrijger (V1) in de splitser (S) zich direct vóór de splitsing in de belaste sfeer bevinden. Voor zover V1 bij de zuiver splitsing aandelen krijgt toegekend in V2 is de vennootschapsbelastingclaim gewaarborgd door de bestaande splitsingsregels in art. 13j, lid 4, Wet VPB 1969. De claim wordt volgens mij naar evenredigheid verdeeld over de aandelen die de belastingplichtige na de splitsing heeft in de splitsingspartners.6 Zoals gezegd, ontvangt V1 echter geen eigen aandelen bij de splitsing. De claim kan in zoverre niet worden gekoppeld aan vervangende aandelen.7 We zijn dan terug bij de constatering dat de splitsingsregeling geen pendant heeft van art. 13k, lid 5, Wet VPB 1969. Anders gezegd: als de wetgever meent dat art. 13k, lid 5, Wet VPB 1969 bij juridische fusies nodig is om belastingclaims te handhaven, dan lijkt zo’n bepaling even zo goed nodig bij zuivere splitsingen.
Overigens zou betoogd kunnen worden dat het potentiële claimverlies in de kiem wordt gesmoord door de splitsingsregels voor splitsingspartners. De redenering hierbij is als volgt. Als de splitsende rechtspersoon de zuivere splitsing fiscaal gefaciliteerd tot stand wil brengen terwijl het aandelenbelang van de verkrijger in de splitser zich (gedeeltelijk) in de belaste sfeer bevindt, zou gesteld kunnen worden dat niet wordt voldaan aan de eis dat de latere heffing is verzekerd.8 Een fiscaal gefaciliteerde splitsing is dan alleen mogelijk op grond van de doorschuifregeling op verzoek ex art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969. Vervolgens komt (mogelijk, zie hierna) standaardvoorwaarde 1, lid 1 in beeld.9 Daarin is bepaald dat vermogensbestanddelen die door de zuivere splitsing ophouden te bestaan, onmiddellijk vóór het splitsingstijdstip moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.10 Dit voorschrift zou dan tot gevolg (moeten) hebben dat de belastingclaim die rust op het verdwenen aandelenbelang bij de verkrijger wordt afgewikkeld. Ik plaats drie kanttekeningen bij deze redenering:
De toelichting op standaardvoorwaarde 1 maakt niet duidelijk of het daarin opgenomen waarderingsvoorschrift geldt voor situaties waarin de verkrijger vóór de zuivere splitsing aandelen of andere participatiebewijzen heeft in de splitser. Overigens lijkt dat wel zo te zijn.11
Het ligt met het oog op een consistente wetssystematiek veel meer voor de hand om de hier centraal staande problematiek te regelen in het bestaande systeem voor houders van aandelen en/of andere participatiebewijzen in de zuiver splitsende rechtspersoon.12 Het gaat immers om belastingclaims die samenhangen met het belang van de verkrijger in de splitser.
Ook als standaardvoorwaarde 1 van toepassing is op de hier bedoelde situaties (zie onder a), is het systeem niet sluitend. Het is namelijk mogelijk dat de zuiver splitsende rechtspersoon niet kiest of niet kan kiezen voor een fiscaal gefaciliteerde splitsing op de voet van art. 14a Wet VPB 1969. Denk aan situaties waarin deze splitser beschikt over verliezen en deze wil verrekenen met de splitsingswinst. Of aan een splitsende rechtspersoon die in het buitenland is gevestigd en geen onderneming in Nederland drijft. In die gevallen geldt standaardvoorwaarde 1 niet.13