Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.8.2:4.8.2 Hof Arnhem-Leeuwarden: geen ondubbelzinnige vergeving
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.8.2
4.8.2 Hof Arnhem-Leeuwarden: geen ondubbelzinnige vergeving
1
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859300:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9515 (einduitspraak) en Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3535 (tussenuitspraak).
Tevens is sprake van poging tot brandstichting in de woning, maar dit delict speelt geen rol van betekenis bij het vergevingsvraagstuk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelijk als in de vorige zaak gaat het hier om een echtpaar waarbij alcoholproblematiek zijn invloed doet gelden. Eveneens is een geweldsdelict aanleiding voor onwaardigheid. Ditmaal geen poging tot doodslag, maar gekwalificeerde mishandeling.2 Anders dan de vorige zaak is niet V de boosdoener, maar M. Na het overlijden van V in 2008 volgt een civiele procedure. In geschil is de vraag of V hem de mishandelingen die zijn gepleegd vanaf december 2005 tot halverwege augustus 2007 heeft vergeven. Het hof heeft bij tussenvonnis (de bewindvoerder van) M toegelaten tot bewijslevering. Er volgen getuigenverhoren en daarnaast doet M een beroep op dagboekfragmenten van V waarin zij liefdevol over hem zou hebben geschreven.
Uit de getuigenverklaring van de advocaat die M heeft bijgestaan in de strafprocedure en die in dat kader met V heeft gesproken, volgt volgens het hof genoegzaam dat V graag wilde dat M weer bij haar thuis in hun gezamenlijke woning kwam wonen. M was bij zijn ouders gaan wonen nu dat één van de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis was. De advocaat verklaart weliswaar dat M op enig moment weer bij V is gaan wonen, maar dat komt niet in rechte vast te staan. Wel blijkt dat M tot aan het overlijden van V regelmatig naar het ziekenhuis is afgereisd om haar te bezoeken. Uit deze feiten en omstandigheden zou volgens het hof afgeleid kunnen worden dat V wel wilde doorgaan met de relatie, maar daar staan getuigenverklaringen van familieleden van V tegenover waaruit het hof afleidt dat V twijfels had over het voortbestaan van de relatie. Om vervolgens direct op te merken dat twijfel over het voortbestaan van de relatie onverlet laat dat desalniettemin sprake zou kunnen zijn van vergeving.
Alles overwegende komt het hof tot de slotsom dat uit de stukken en getuigenverklaringen niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van ondubbelzinnige vergeving. Dat V graag wilde dat M na zijn detentie weer thuis kwam wonen, is hiervoor onvoldoende. Hetzelfde heeft te gelden voor haar opmerking dat ze beiden schuld hadden. De dagboekfragmenten worden door het hof bovendien terzijde geschoven. Zelfs al zou V liefdevol over M hebben geschreven dan is dat volgens het hof op zich onvoldoende om daaraan te conclusie te verbinden dat V dus M heeft vergeven voor zijn mishandelingen.