Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.8.1
4.8.1 Rb. Rotterdam en Hof Den Haag: ondubbelzinnige vergeving
1,2
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859240:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 14 december 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:BC8872 (niet gepubliceerd, kenbaar uit: RN 2006/10). Zie over deze uitspraak ook RFR 2006/23 en EstateTip 2006/13.
Hof Den Haag 14 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1939.
De steekpartij vond plaats in 1998, derhalve voor de invoering van art. 4:3 lid 3 BW. Conform art. 68a Overgangswet geldt dit artikel ook als de misdraging voor de invoering van het nieuwe erfrecht heeft plaatsgevonden en de nalatenschap na 1 januari 2003 is opengevallen. Het handelen van de erflater dient volgens Blokland dan wellicht anders te worden geïnterpreteerd, 2006, p. 24. De uitspraken van de Rb. Rotterdam en het Hof Den Haag wijzen niet in deze richting. In geen van de uitspraken wordt gesproken van een strengere dan wel andersoortige toets. Zie ook par. 2.10.
M en V zijn sinds 1984 in gemeenschap van goederen gehuwd. Begin 1998 heeft V tijdens een ruzie, waarbij zij onder invloed was van een enorme hoeveelheid alcohol, M met een groot keukenmes in de borst gestoken. M belandt in het ziekenhuis, maar komt zijn verwondingen te boven. M doet aangifte van het voorval en in het proces-verbaal van de aangifte is onder meer te lezen dat M na zijn ontslag uit het ziekenhuis contact wenst op te nemen met zijn advocaat in verband met een echtscheidingsaanvraag. Strafrechtelijk gezien mondt deze gang van zaken uit in een onherroepelijke veroordeling wegens poging tot doodslag. Bij de op te leggen straf neemt de strafrechter in aanmerking dat M en V beiden hebben medegedeeld zich te willen herenigen. In mei 2003 is M overleden. In de civiele procedure die volgt tussen V en de dochter van M staat de vraag centraal of sprake is van ondubbelzinnige vergeving.
De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat niet te lichtvaardig moet worden aangenomen dat sprake is van vergeving, maar acht in dit geval de omstandigheden van voldoende gewicht. Deze omstandigheden zijn dat M aanvankelijk de bedoeling had om een echtscheiding aan te vragen nadat hij door V was neergestoken, maar dat hij kennelijk in de maanden daarna van mening is veranderd. Tot een echtscheidingsprocedure is het nooit gekomen. Voorts speelt een rol van betekenis een getuigenverklaring waaruit blijkt dat M zich (mede) schuldig voelde aan wat er was gebeurd en dat hij V vaak opzocht toen zij in de gevangenis verbleef alsmede het feit dat V en M vanaf de invrijheidsstelling van V weer samenwoonden tot aan de dood van M. Van het grootste gewicht acht de rechtbank echter dat M destijds aan de strafrechter heeft verklaard dat hij zich met V wilde herenigen. Het is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat M zich zou willen herenigen met V terwijl hij haar de steekpartij – waarin hij aanvankelijk reden zag voor een echtscheiding – niet heeft vergeven.
Verschillende getuigenverklaringen waaruit valt op te maken dat het huwelijk tussen M en V ook na de hereniging niet zonder conflicten verliep, doen niet ter zake nu de vraag of het huwelijk gelukkig was of als gelukkig werd gezien niet ter beoordeling staat. Het gaat om de vraag of M haar de steekpartij die in 1998 heeft plaatsgevonden, heeft vergeven.
Tegen deze uitspraak wordt door de dochter van M tevergeefs hoger beroep ingesteld. Zonder al te veel omhaal komt het hof tot dezelfde slotsom als de rechtbank. Op grond van het feit dat de strafrechter heeft vastgesteld dat partijen zich wensten te herenigen, kan volgens het hof naar objectieve maatstaven worden vastgesteld, dat M haar de steekpartij ondubbelzinnig heeft vergeven. Het hof merkt vervolgens nog op dat voorts is gebleken dat M en V tot aan de dood van M hun samenleving in huwelijkse band met elkaar hebben voortgezet. Evenals de rechtbank acht het hof niet van betekenis wat derden van de relatie van M en V vonden en vinden.3