Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.4.2
12.3.4.2 Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940298:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 26 februari 2013 (Åkerberg Fransson), nr. C-617/10, V-N 2013/13.6, BNB 2014/15. Op fiscale bestuurlijke boetes die samenhangen met zuiver nationaalrechtelijke, interne besluiten, is het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel uiteraard niet van toepassing (zie HvJ EU 13 januari 2022, V-N 2022/6.9 en bijvoorbeeld HR 26 februari 2021, V-N 2021/12.19.3 (art. 81 Wet RO).
Zie voor de betekenis van het Handvest in boetezaken met een Unierechtelijke component HvJ EU 16 mei 2017, V-N 2017/27.5, BNB 2017/178 (het Handvest is van toepassing op de boete die een lidstaat oplegt vanwege het schenden van een inlichtingenverplichting in het kader van de Bijstandsrichtlijn, vgl. art. 11 WIB).
Art. 52 lid 3 en art. 53 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie hierover nader paragraaf 8.2.2.1. Zie voor een voorbeeld van de toets die het HvJ EU in dit verband uitvoert HvJ EU 5 april 2017, V-N 2017/21.4, r.o. 24-25.
Zie paragraaf 12.3.4.1.
Vgl. de in art. 48 tot en met 50 Handvest vastgelegde beginselen (onschuldpresumptie, eerbiediging van de rechten van verdediging, legaliteitsbeginsel, evenredigheidsbeginsel (strafmaat), ne bis in idem-beginsel).
Dit betreft de leer die is ontwikkeld in de arresten Sopropé en Kamino en Datema, zie paragraaf 7.3.7.3.1.
Zie voor de vraag om welke heffingen het gaat nader paragraaf 7.3.7.3.1. Voor de omzetbelasting heeft het HvJ EU dit met zoveel woorden bevestigd, zij het binnen een ander kader (de toepassing van het ne bis in idem beginsel uit art. 50 van het Handvest), zie HvJ EU 5 april 2017, V-N 2017/21.4, r.o. 16.
De Redactie Vakstudie-Nieuws wijst in dit verband voor wat betreft de fiscale bestuurlijke boete op art. 48 Handvest, zie de Aantekening bij HvJ EU 17 januari 2019, nr. C-310/16, V-N 2019/7.15. Zie voorts HvJ EU 16 mei 2017, V-N 2017/27.5, BNB 2017/178 (het Handvest is van toepassing op de boete die een lidstaat oplegt vanwege het schenden van een inlichtingenverplichting in het kader van de Bijstandsrichtlijn, vgl. art. 11 WIB).
Zie paragraaf 12.2.7.1.
HR 30 juni 2017, V-N 2017/34.12. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.7.3.
Zie het eindarrest in de zaken Kamino en Datema, HR 26 juni 2015, V-N 2015/33.5, BNB 2015/186, waarover nader in paragraaf 7.3.7.3.1.
Zie artikel 67pa AWR en par. 6 lid 3 BBBB en hetgeen daarover is opgemerkt in paragraaf 9.3.2.2.5, paragraaf 14.4.3.2 en paragraaf 14.4.4.3.4.
Aldus ook (stellig): Fortuin 2016, par. 7. Zie paragraaf 7.3.7.3.1 voor mogelijke uitzonderingsgevallen.
Zie in dit verband Rb Zeeland-West-Brabant 30 maart 2018, V-N 2018/48.13.13, r.o. 2.6.
HvJ EU 18 december 2008 (Sopropé), nr. C-349/07, V-N 2011/13.9, r.o. 37.
In paragraaf 7.3.7.3.1 is naar voren gekomen dat de overheid het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel moet eerbiedigen bij het nemen van bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan EU-rechtelijke voorschriften. Blijkens de jurisprudentie van het HvJ EU geldt het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel ook voor bestuurlijke boetes die met dergelijke bezwarende besluiten samenhangen.1 Voor wat betreft de beboeting is de zelfstandige betekenis van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel naar mijn mening relatief gering. In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is namelijk de verhouding tot het EVRM expliciet geregeld, die er kort gezegd op neer komt dat bij de uitleg van de grondrechten uit het Handvest het EVRM als richtsnoer wordt genomen.2 Het Handvest kan geen afbreuk kan doen aan de waarborgen van het EVRM, maar deze hoogstens aanvullen.3 Aangezien het EVRM een uitgebreide regeling van de verdedigingsrechten bevat,4 welke rechtstreekse werking hebben, voegt het Handvest voor de fiscale bestuurlijke boete in algemene zin niet veel toe.5
Wel zou het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel aanvullende werking kunnen hebben voor wat betreft het recht van de belastingplichtige om voorafgaand aan een te nemen nadelig besluit in de gelegenheid te worden gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.6 Dat recht geldt wanneer de belastingheffing uitvoering geeft aan EU-recht (zoals bij de oplegging van een naheffingsaanslag omzetbelasting),7 en strekt zich ook uit naar de op te leggen boete die met die belastingheffing samenhangt.8 Het EVRM garandeert niet een dergelijk hoorrecht vooraf (naar aanleiding van het voornemen om een boete op te leggen).9 Voor vergrijpboetes is in de Nederlandse wet uitdrukkelijk voorgeschreven dat de boeteling zijn zienswijze vooraf moet kunnen inbrengen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter, dat aan een schending van artikel 5:53 Awb alleen gevolgen worden verbonden als de boeteling daar daadwerkelijk enig nadeel van heeft ondervonden.10 Dat criterium is niet hetzelfde als het ‘andere afloop’-criterium dat het HvJ EU voor wat betreft de gevolgen van een schending van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel aanlegt.11 Bovendien zijn de gevolgen (als wordt voldaan aan dat criterium) fataal, terwijl de nationale jurisprudentie (als word voldaan aan het nadeel-criterium) uit lijkt te gaan van matiging. In gevallen waarin bij vergrijpboetes aan de boeteling ten onrechte niet vooraf de gelegenheid is gegeven om zijn zienswijze in te brengen, bestaat dus het risico dat het EU-recht meebrengt dat de boete geheel moet vervallen, terwijl op grond van het nationale recht hooguit matiging zou volgen.
Bij verzuimboetes schrijft de nationale wet het geven van de gelegenheid om de zienswijze vooraf in te brengen, niet verplicht voor. Vanwege de geautomatiseerde wijze van oplegging zal die gelegenheid in de praktijk ook veelal achterwege blijven.12 Ook dat kan dus in strijd zijn met het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel,13 waarbij opnieuw moet worden getoetst aan het ‘andere afloop’-criterium. De inbreng die de boeteling in het kader van die toetsing had kunnen leveren, kan bijvoorbeeld bestaan uit het stellen van AVAS, het verdedigen van een pleitbaar standpunt of het aanvoeren van strafverminderende omstandigheden. Aangezien met name ten aanzien van die laatste categorie een andere afloop (matiging) op voorhand niet kan worden uitgesloten, bestaat het reële risico dat verzuimboetes in EU-rechtelijke context vernietigd moeten worden, omdat er geen gelegenheid vooraf is gegeven om te reageren op het voornemen tot oplegging.14 Ik teken daarbij aan dat uit het arrest Sopropé kan worden afgeleid dat het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel geldt voor gevallen waarin de belangen van de boeteling aanmerkelijk worden geraakt.15 Het gesignaleerde risico gaat dus wellicht alleen op voor de hogere verzuimboetes.