Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.4.1
12.3.4.1 Toetsing Nederlands stelsel van bewijsvoering aan art. 6 EVRM
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940221:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover verderop onder ‘Geen bewijslevering noodzakelijk’.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 7.3.7.3. Voor een uitgebreide uitwerking van de verschillende uitingsvormen van het beginsel van hoor en wederhoor in het fiscale proces, zie ook Feteris 2002, par. 8.2.4.1.b.
Zie hieromtrent uitgebreid paragraaf 7.3.7.3.2.
Aldus ook: Feteris 2007, p. 372 en Feteris 2002, p. 240.
Zie HR 10 maart 2017, V-N 2017/14.10, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het verwijzingshof zijn oordeel niet naar behoren had gemotiveerd, nu de boeteling in haar conclusie na verwijzing en in haar pleitnota voor het verwijzingshof nieuwe, beargumenteerde stellingen had ingenomen tegen de boete (zie voor de afloop HR 21 juni 2019, V-N 2019/31.18, BNB 2019/124). Zie voorts HR 8 juni 2018, V-N 2018/31.25 (het Hof had stellingen van de boeteling ten onrechte onbehandeld gelaten) en HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4. Zie ook paragraaf 9.4.17 (inzake strafmaatverweren).
Zie omtrent deze beperkingen paragraaf 7.3.7.3. Zie over de achtergrond en toepassing van de beginselen van een goede procesorde in de sfeer van de boete nader Feteris 2002, p. 203-204.
Enerzijds legt het specifieke belang van de aanbiedende partij bij het alsnog kunnen inbrengen van de stelling of het bewijs, en de reden waarom hij dat niet eerder heeft gedaan, gewicht in de schaal. Anderzijds houdt de rechter rekening met het algemene belang van een doelmatige procesgang. Zie paragraaf 7.3.7.3.2.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 242.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.7.2 (ontleend aan het strafrecht).
Als de rechter besluit het initiatief toch niet toe te staan, verdient het aanbeveling om dat besluit uitdrukkelijk te motiveren. Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2022, V-N 2023/7.9, r.o. 4.19.
Vgl. in dezelfde zin Feteris 2002, p. 228-229, met betrekking tot het kunnen reageren op nieuwe stellingen van de inspecteur welke bijvoorbeeld in een zogeheten 10-dagenstuk (art. 8:58 lid 1 Awb) worden ingenomen. De Hoge Raad lijkt in boetezaken evenwel geen bijzondere of aanvullende eisen te stellen aan de belangenafweging in dit kader, zie HR 29 januari 2021, V-N 2021/7.14 (waarin naast aanslagen ook boetes in geschil waren, maar de Hoge Raad bij zijn oordeel geen onderscheid tussen beide sferen maakte) en expliciet (inzake art. 8:45 Awb) HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.2.1.
Zie bijvoorbeeld de Hofuitspraak die leidde tot HR 1 mei 2015, V-N 2015/24.18 (art. 81 Wet RO), r.o. 4.14 en 4.15 (pas ter zitting in hoger beroep had de inspecteur AVAS betwist).
Zie paragraaf 7.3.7.3.1.
Zie paragraaf 12.2.6. Het gaat dan om wijzigingen die de aard en reden van de beschuldiging betreffen.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1.
Zie voor een voorbeeld de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 16 november 2018, V-N 2018/62.20.
Zie paragraaf 7.3.7.4.2.
Aldus ook: Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 29 en Feteris 2002, p. 277.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de feitelijkheden die relevant zijn voor een beslissing over de ontvankelijkheid van het (hoger) beroep: het kunnen aanleveren van nader bewijs omtrent de verzending of de ontvangst of het ter discussie stellen van door de inspecteur ingenomen stellingen terzake kan doorslaggevend zijn voor de beslissing. Te denken valt ook aan het gebruik van nadelige vermoedens bij de beoordeling van de verjaring, zie daarover nader paragraaf 10.2.3.
Zie paragraaf 12.3.2.
Zie met name r.o. 3.11.1-3.11.4 van HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 (inzake de opzet), alsmede r.o. 4.6.5 van de Hofuitspraak die aan het arrest voorafging. Het cassatiemiddel dat op het bewijs van de opzet was gericht, sprak (net als het Hof zelf) niet met zoveel woorden over feiten van algemene bekendheid. In wezen heeft de Hoge Raad in de uitspraak van het Hof gelezen, dat het Hof zich daarvan heeft bediend.
Zie daarover paragraaf 3.5.2.3. Het arrest maakt duidelijk dat de verplichting om een zitting te houden niet absoluut is en dat daar dus soms van kan worden afgezien.
HR 23 september 2011, V-N 2011/47.6, BNB 2012/114, FED 2012/94. De wettelijke regeling van (destijds) art. 8:55 lid 3 Awb was overigens juist ingevoerd ter garandering van de waarborgen van art. 6 EVRM in boetezaken. Voor het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden art. 6 EVRM aanleiding geeft tot (ambtshalve) horen, verwijs ik naar de uitgebreide analyse en suggesties van Pauwels in zijn noot bij het arrest in FED 2012/94 (in het bijzonder punt 9 en verder). Het lijkt erop dat in niet-boetezaken (ongeveer) dezelfde rechtsregels gelden, zie HR 18 juni 2021, V-N 2021/27.17, r.o. 2.5.4 (slot), aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening.
Zie HR 3 juni 2016, V-N 2016/30.10, BNB 2016/176, alsmede HR 1 maart 2013, V-N 2013/12.9 (en voor de daaropvolgende verwijzingsuitspraak: Hof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2014, V-N 2014/28.6).
Dat geldt ook wanneer de boete louter via de schakelbepaling van (destijds ook) art. 26b lid 2 juncto (thans alleen nog) art. 24a lid 2 AWR tot het geding is gaan behoren, zie HR 9 augustus 2013, V-N 2013/37.8, BNB 2013/222 (met name r.o. 3.3.1). Zie omtrent de schakelbepaling nader paragraaf 15.4.3.1.
HR 8 september 2017, V-N 2017/43.7.
Zie HR 8 september 2017, V-N 2017/43.7, r.o. 2.3.2 en HR 1 maart 2013, V-N 2013/12.9, r.o. 3.3.3. Zie ook Pauwels in zijn noot bij HR 23 september 2011, FED 2012/94, punt 27-29.
Zie EHRM 12 februari 1985 (Colozza), NJ 1986, 685, met name par. 27-28, waarin het EHRM opmerkt dat zulks ‘in an unequivocal manner’ moet geschieden. Vgl. voorts EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo), nr. 10590/83, Publ. Ser. A 146, NJCM-Bulletin 1989, p. 90, par. 82 e.v., over het uitdrukkelijk afzien van het voorlezen van verklaringen.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420.
Feteris 2002, p. 370.
Zie voor voorbeelden uit de jurisprudentie de verwijzingen in Feteris 2002, p. 370 (noot 64).
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Goede procesorde’.
Zie hierover nader paragraaf 10.2.2.1 en paragraaf 10.2.3.
In algemene zin voldoet de procedure voor de Nederlandse belastingrechter aan de minimumvereisten die art. 6 EVRM stelt. Dat is te danken aan de tamelijk strikte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor en de strenge bewaking van de processuele gelijkheid van partijen. Daardoor is het zeer onwaarschijnlijk dat één van de partijen in een fiscale beroepszaak, vanwege door de andere partij (of door de rechter1) ingebrachte stellingen of gebezigde bewijsmiddelen, voor een voldongen feit wordt geplaatst. Steeds garandeert de rechter immers dat de wederpartij daar kennis van kan nemen en daarop kan reageren, alvorens er met die stellingen of bewijsmiddelen rekening wordt gehouden.2 In het Nederlandse fiscale procesrecht krijgen partijen bovendien ruimschoots de gelegenheid om hun eigen stellingen te voorzien van bewijs, en kunnen zij in de loop van de procedure afwijken van eerder ingenomen standpunten en andere (of meer) bewijsmiddelen aanbrengen.3 Bezien vanuit de positie van de boeteling, bevat het Nederlandse fiscale procesrecht dan ook voldoende waarborgen die het recht op een behoorlijke verdediging garanderen.4 De jurisprudentie van de Hoge Raad bevestigt dat beeld en verplicht de feitenrechter ook daadwerkelijk te reageren op stellingen terzake.5
Ook de in het Nederlandse fiscale procesrecht aanvaarde beperkingen op grond van de beginselen van een goede procesorde kunnen, voor wat betreft de procedure over de fiscale bestuurlijke boete, de toets aan art. 6 EVRM waarschijnlijk goed doorstaan.6 De rechter kan een bewijsaanbod slechts passeren indien het – kort gezegd – ongericht is of als bij voorbaat vaststaat dat het tot niets zinvols kan leiden. Wanneer de rechter een ingebrachte stelling of bewijsmiddel tardief verklaart en om die reden buiten beschouwing laat, is dat voorts de uitzondering op de regel. Bovendien kan die uitzondering pas toepassing vinden na een afweging van belangen.7 Dat levert vermoedelijk geen strijd op met het recht op een behoorlijke verdediging.8 Wel moet de rechter in boetezaken hierbij ook de aard van het alsnog te leveren bewijs als relevante factor in zijn afweging betrekken: zijn het belastende of juist ontlastende stukken?9
Door de bank genomen kan het algemene fiscale procesrecht dus probleemloos worden toegepast in fiscale bestuurlijke boetezaken. Veiligheidshalve zou de rechter er naar mijn mening evenwel goed aan doen, om – ten opzichte van de sfeer van de heffing – in boetezaken nóg iets behoedzamer te opereren. Wanneer de rechter bijvoorbeeld overweegt om een initiatief van de boeteling af te remmen, kan hij dat initiatief in een boetezaak bij twijfel beter toestaan.10 Hetzelfde geldt in gevallen waarin de boeteling verzoekt om alsnog of nader de gelegenheid te krijgen om van een bepaald stuk kennis te nemen of daarop te reageren, of waarin de boeteling de rechter verzoekt om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om inlichtingen te vragen (art. 8:45 Awb).11 Ook het omgekeerde gaat naar mijn mening op: de rechter zou voor de inspecteur in boetezaken juist wat strenger kunnen zijn, vooral als het gaat om belastend materiaal.12 Hierbij valt ook te denken aan de vrijheid om in (hoger) beroep een nieuw of (ten opzichte van een eerdere fase) afwijkend standpunt in te nemen.13 Afgezien van de omstandigheid dat wezenlijke wijzigingen in de stellingname van de inspecteur in strijd kunnen komen met de mededelingsplicht,14 kan ook het recht op een behoorlijke verdediging die vrijheid beperken. Ten slotte wijs ik in dit verband op de situatie dat een partij terugkomt op een standpunt dat eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud (ondubbelzinnig) is prijsgegeven.15 Normaliter is dat in strijd met de goede procesorde. In boetezaken zou de rechter naar mijn mening extra voorzichtig moeten zijn als het gaat om de vraag of de boeteling een standpunt gericht tegen de boete daadwerkelijk ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Ook bij geringe twijfel zal dat standpunt alsnog moeten worden beoordeeld.16 Het omgekeerde geldt als het gaat om een standpunt dat de inspecteur eerder heeft prijsgegeven. Het alsnog behandelen daarvan kan in strijd komen met de verdedigingsrechten van de boeteling.
In het navolgende geef ik nog een aantal voorbeelden waarin het maken van een onderscheid tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete voor de hand ligt.
Geen bewijslevering noodzakelijk
In een aantal gevallen bestaat het risico dat de boeteling geen weerwoord kan bieden tegen belastend bewijs. Te denken valt aan de situatie dat de rechter ambtshalve de feiten aanvult of een feit van algemene bekendheid aanneemt.17 Ook kan de rechter een door de inspecteur gesteld feit als vaststaand aannemen, omdat het niet of onvoldoende is weersproken.18 Op zichzelf verzet de onschuldpresumptie zich daar in de boetesfeer niet tegen.19 Wel is het naar mijn mening essentieel dat de rechter zich er in deze gevallen nadrukkelijk van verzekert dat de boeteling voldoende gelegenheid tot weerspreken heeft gehad. Ook wanneer de rechter een vraagstuk van openbare orde onderkent dat ten nadele van de boeteling strekt, dient de rechter de boeteling in de gelegenheid te stellen om zich daarover uit te laten.20
Eerder is aan de orde gekomen dat de Hoge Raad het gebruik van ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid in de KBLux-zaken als bewijsmiddel voor de boete heeft geaccepteerd.21 Uit de bewoordingen van het arrest volgt evenwel niet duidelijk dat de boeteling uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om de gehanteerde ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid ter discussie te stellen.22
Hoorplicht in boetezaken
Met een beroep op onder meer het arrest Jussila23 is de Hoge Raad in 2011 teruggekomen van zijn tot dan toe zeer strenge jurisprudentie over de hoorplicht in verzetzaken.24 De rechter is sindsdien niet langer te allen tijde verplicht om de boeteling in boetezaken ambtshalve te horen, maar alleen als de waarborg van de fair hearing daartoe aanleiding geeft.25 Dat wil echter niet zeggen dat de rechter geen verantwoording hoeft af te leggen over zijn oordeel daaromtrent. Laat hij het horen achterwege, terwijl uit de uitspraak niet blijkt waarom zulks in het licht van de fair hearing geen probleem oplevert, dan neemt de Hoge Raad daar geen genoegen mee.26 Steeds wanneer er een boete in het geding is,27 zal de rechter zich dus moeten uitlaten over zijn beslissing om niet ambtshalve te horen.28
Ook in bredere zin (buiten verzetzaken) geldt procesrechtelijk als hoofdregel dat de boeteling in boetezaken altijd door de rechter moet worden gehoord. Dat is volgens de Hoge Raad alleen anders wanneer de boeteling uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om te worden gehoord.29 Aangezien de waarborgen die voortvloeien uit de norm van de fair hearing niet absoluut zijn, lijkt deze uitzondering te billijken. Het EHRM heeft ook inderdaad overwogen dat de boeteling uitdrukkelijk afstand kan doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van zijn zaak. Of dat volgens het EHRM ook stilzwijgend kan gebeuren, moet naar mijn mening echter ernstig worden betwijfeld.30
Vermoedens
Feteris heeft uit het arrest Salabiaku31 afgeleid dat de rechter in boetezaken mogelijk verplicht is om extra voorzichtig te zijn wanneer hij bewijs van de inspecteur, geleverd door middel van vermoedens, wenst te accepteren.32 Bij voorkeur zou de rechter de boeteling expliciet op dat voornemen wijzen en hem voldoende gelegenheid bieden om de vermoedens te ontzenuwen.33 Naar mijn opvatting geldt die extra voorzichtigheid ook wanneer de rechter overweegt om uit de vaststaande of bewezen feiten zelf een vermoeden ten nadele van de boeteling af te leiden. De rechter moet daar ook buiten de sfeer van de boete reeds voorzichtig mee zijn, door de partij ten nadele van wie het vermoeden zou gaan werken, de gelegenheid te geven om dat vermoeden te ontzenuwen.34 Dat is in de sfeer van de boete dus nog sterker het geval.35