Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.3.3
9.3.3.3 Bewijslast ten aanzien van het element van de materiële heffing (‘te weinig belasting’)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940451:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 20 lid 1 AWR. Zie voorts HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.24, BNB 2020/123, r.o. 2.3.3. Voor de omzetbelasting betekent dit, dat het niet uitmaakt of de afnemer van de belastingplichtige de in rekening gebrachte omzetbelasting in vooraftrek heeft gebracht. Voor het begaan van het beboetbare feit is alleen van belang of de belastingplichtige de omzetbelasting was verschuldigd en dus op aangifte had moeten voldoen. De omstandigheid dat de afnemer geen vooraftrek heeft toegepast, waardoor de schatkist uiteindelijk niets tekort is gekomen, kan wel een rol spelen bij de strafmaat (r.o. 2.4.2). Zie daarover nader paragraaf 14.4.4.1.
Zie hierover ook paragraaf 6.2.8.
Vgl. de casus die voorlag in HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7. Het Hof had zijn motivering daar gericht op het kale beboetbare feit van art. 67d AWR, terwijl er onmiskenbaar een boete ex art. 67e AWR was opgelegd (het betrof nota bene een navorderingsaanslag). De Hoge Raad merkte en passant op dat het voor de onderbouwing van laatstgenoemde boete noodzakelijk is dat bewezen wordt verklaard dat ‘te weinig belasting is geheven’, hetgeen iets anders is dan (zoals het Hof had gedaan) bewezen verklaren dat ‘een onjuiste aangifte is gedaan’ (r.o. 3.3.2). Overigens werd het Hof gered door de Hoge Raad omdat kwade trouw aanwezig was.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4, dat dit onderscheid naar mijn mening volkomen terecht maakt.
Behalve de in paragraaf 9.3.3.1 en paragraaf 9.3.3.2 beschreven delictsomschrijvingen die zien op het niet (tijdig of volledig) betalen of het niet (tijdig, volledig of juist) doen van aangifte, leggen de delictsomschrijvingen van verschillende beboetbare feiten een verband met de onderliggende, materiële belastingheffing. Bij de aangiftebelastingen is dat het duidelijkst: zowel art. 67c als art. 67f AWR spreken van de ‘belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen’. Dat laat overigens onverlet dat diezelfde delictsomschrijvingen tevens aanknopen bij het niet betalen van de betreffende belasting.1 Waar het om gaat, is dat bij aangiftebelastingen de grondslag voor de boete gelijk is aan de grondslag voor de naheffingsaanslag.2
Bij de aanslagbelastingen zijn de delictsomschrijvingen iets cryptischer. In de delictsomschrijving van de vergrijpboete bij navordering (art. 67e AWR) wordt bijvoorbeeld verwezen naar de te laag vastgestelde aanslag of de te lage heffing. In de delictsomschrijving van de vergrijpboete die bij de definitieve aanslag kan worden opgelegd (art. 67d AWR), ontbreekt een dergelijke verwijzing geheel: het beboetbare feit ziet als zodanig alleen op aangiftefouten.3 De delictsomschrijving van art. 67d AWR bevat niet als bestanddeel dat (al dan niet vanwege die aangiftefouten) te weinig belasting is of zou zijn geheven.4 Op het eerste gezicht hoeft de inspecteur dat aspect dan ook niet te bewijzen. Ook het object van de vereiste schuldgradatie (in casu: opzet) betreft in beginsel alleen de aangiftefouten.5 Pas uit de omschrijving van de boetegrondslag wordt duidelijk dat het bedrag van de aanslag wel degelijk een rol speelt.6 Iets vergelijkbaars ligt besloten in de delictsomschrijving van art. 67cc AWR, waarin de vergrijpboete is geregeld die kan worden opgelegd wanneer opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt in een verzoek om vaststelling of herziening van een voorlopige aanslag IB of Vpb. Ook bij deze boete wordt pas uit de omschrijving van de boetegrondslag duidelijk dat het bedrag van de aanslag van belang is.7
Deze koppeling van de omschrijving van het beboetbare feit aan de boetegrondslag bestaat bij alle vergrijpboetes.8 Onderstaand ga ik eerst nader in op de techniek van deze grondslagkoppeling.
9.3.3.3.1 De grondslagkoppeling9.3.3.3.2 Doorwerking van de bewijslast uit de sfeer van de heffing naar de boetegrondslag?