Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.6
7.4.6 De enquêteprocedure en onmiddellijke voorzieningen
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296528:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1993, 597.
Artikel 2:349a BW. De voorziening die kan worden getroffen nadat uit het onderzoeksverslag wanbeleid is gebleken zal hier verder onbesproken blijven. De voorzieningen die in dat kader kunnen worden getroffen zijn opgenomen in artikel 2:356 BW.
HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 5 m.nt. Geerts (Sky Gate).
Kamerstukken II 2011/12, 32887, nr. 6, p. 22.
De SER adviseerde om aan te sluiten bij de limitatief opgesomde voorzieningen van artikel 2:356 BW, maar dit advies werd verworpen (Kamerstukken II 1991/92, 22400, nr. 3, p. 15). Zie hieromtrent ook: Klein Wassink 2012, p. 131-132.
HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer (Versatel II). Zie over deze uitspraak en het treffen van onmiddellijke voorzieningen die afwijken van dwingend recht ook: Storm 2014-1, p. 130- 135. Zie kritisch over het treffen van onmiddellijke voorzieningen die afwijken van dwingend recht: Eikelboom 2011-2.
Hof Amsterdam (OK) 15 juni 2011, ARO 2011, 97.
Zie voor beschikkingen waar door de Ondernemingskamer een vergelijkbare onmiddellijke voorziening werd getroffen en waaraan ook vergelijkbare overwegingen ten grondslag lagen: Hof Amsterdam (OK) 31 oktober 2002, JOR 2003, 59 (De overweging die de Ondernemingskamer aan het treffen van deze voorziening ten grondslag legde was de volgende: ‘Evenzeer acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk te voorkomen dat hangende – de uitkomst van – het onderzoek in de algemene vergadering van aandeelhouders besluitvorming kan plaatsvinden waardoor alsnog aan transacties in het verleden waaromtrent twijfel bestaat en meer in het bijzonder de voormelde investering in Polen een – althans naar de vorm genomen – rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit ten grondslag wordt gelegd. Om die reden zal de Ondernemingskamer het stemrecht op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de vennootschap schorsen.’ r.o. 3.6.); Hof Amsterdam (OK) 22 februari 2002, JOR 2002, 63 (De overweging die de Ondernemingskamer aan het treffen van deze voorziening ten grondslag legde was de volgende: ‘Lettend op de bevinding van de onderzoekers in het verslag van het onderzoek in deze zaak dat het plaatsen van aandelen door RNA bij Stichting RNA niet van juist beleid getuigt en mede in aanmerking nemend, in de eerste plaats dat Stichting RNA heeft kenbaar gemaakt haar stemrecht in de voor 26 februari 2002 voorziene BAVA niet te zullen gebruiken, in de tweede plaats dat Stichting RNA in het leven is geroepen ter voorkoming van overheersende invloed van Westfield, althans haar rechtsvoorgangster, in de algemene vergadering van aandeelhouders van RNA terwijl RNA inmiddels met Westfield, althans een van haar groepsvennootschappen de onder de vaststaande feiten vermelde overeenkomst heeft gesloten en in de derde plaats dat RNA het standpunt heeft betrokken dat – ook – de andere aandeelhouders dan Westfield en Stichting RNA in de algemene vergadering van aandeelhouders moeten kunnen beslissen over de vraag welke beslissingen ten aanzien van het voortbestaan van RNA dienen te worden genomen, acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om bij wege van onmiddellijke voorziening het stemrecht op de door Stichting RNA gehouden en te verkrijgen aandelen te schorsen en wel vooralsnog voor de duur van het geding.’ r.o. 3.7.); Hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2001, JOR 2001, 207 (De overweging die de Ondernemingskamer aan het treffen van deze voorziening ten grondslag legde was de volgende: ‘Met het oog op de toestand van de vennootschappen derhalve en mede met het oog op het belang van een eventueel te gelasten onderzoek acht de Ondernemingskamer termen aanwezig om onmiddellijke voorzieningen te treffen voor de duur van het geding, een en ander zoals hierna volgt.’); Hof Amsterdam (OK) 7 augustus 2002, JOR 2002, 193 m.nt. Josephus Jitta (De overweging die de Ondernemingskamer aan het treffen van deze voorziening ten grondslag legde was de volgende: ‘De hiervoor vermelde de toestand van de vennootschap levert voorts ruimschoots redenen op voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Gezien de aard van de ontstane impasse en de structuur van de vennootschap(-pelijke organen) zal de Ondernemingskamer het stemrecht op de aandelen in het kapitaal van de vennootschap schorsen en, met terzijdestelling in zoverre van het in de artikelen 14 en 15 van de statuten van de vennootschap bepaalde een bestuurder benoemen, welke bestuurder, in zoverre met terzijdestelling van de artikelen 11 tot en met 13 van de statuten van de vennootschap bepaalde bevoegd is om besluiten te nemen en de vennootschap te vertegenwoordigen, dit een en ander zonder dat hij daartoe de instemming of goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap behoeft.’ r.o. 3.7.). Zie daarnaast ook voor onmiddellijke voorzieningen waarbij het stemrecht werd geschorst: Hof Amsterdam (OK) 25 februari 2000, JOR 2000, 75 m.nt. Josephus Jitta; Hof Amsterdam (OK) 30 juli 2001, JOR 2001, 206; Hof Amsterdam (OK) 8 augustus 2006, JOR 2006, 264. In JOR 2006, 264 werd het de aandeelhouder daarnaast verboden om de algemene vergadering van aandeelhouders te (doen) bezoeken.
Zie naast de hieronder uiteengezette zaak voor een vergelijkbare onmiddellijke voorziening ook: Hof Amsterdam (OK) 31 december 2009, JOR 2010, 60 m.nt. Doorman.
Hof Amsterdam (OK) 13 mei 2009, JOR 2009, 163 m.nt. Hermans.
Zie voor een selectie van recente beschikkingen in dit verband: Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, JOR 2008, 34 m.nt. Josephus Jitta; Hof Amsterdam (OK) 20 mei 2008, JOR 2008, 158; Hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009, 127 m.nt. Josephus Jitta; Hof Amsterdam (OK) 7 oktober 2008, ARO 2008, 165; Hof Amsterdam (OK) 3 november 2008, ARO2008, 175; Hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, JOR 2009, 106; Hof Amsterdam (OK) 21 januari 2009, ARO 2009, 24; Hof Amsterdam (OK) 5 maart 2009, ARO 2009, 24; Hof Amsterdam (OK) 24 april 2009, ARO 2009, 64; Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2009, JOR 2009, 319 m.nt. Doorman; Hof Amsterdam (OK) 28 juli 2011, JOR 2011, 329 m.nt. Josephus Jitta; Hof Amsterdam (OK) 8 september 2011, ARO 2011, 139; Hof Amsterdam (OK) 3 oktober 2011, JOR 2012, 9; Hof Amsterdam (OK) 20 januari 2012, ARO 2012, 16; Hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012, 143 m.nt. Doorman; Hof Amsterdam (OK) 26 april 2012, JOR 2013, 6 m.nt. Bulten; Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2012, ARO 2012, 98; Hof Amsterdam (OK) 24 juli 2012, JIN 2012, 158 m.nt. Bleeker; Hof Amsterdam (OK) 13 september 2012, JIN 2012, 200 m.nt. Haas; Hof Amsterdam (OK) 16 november 2012, JIN 2013, 8 m.nt. Vergouwen; Hof Amsterdam (OK) 3 juni 2013, ARO 2013, 99; Hof Amsterdam (OK) 23 november 2013, ARO 2014, 1; Hof Amsterdam (OK) 12 december 2013, ARO 2014, 6; Hof Amsterdam (OK) 31 maart 2014, ARO 2014, 64; Hof Amsterdam (OK) 12 juli 2014, ARO 2014, 135 (Makati B.V.); Hof Amsterdam (OK) 4 september 2014, ARO 2014, 181 (Café Kobalt B.V.).
Evenzo: Eikelboom 2011-1.
Een dergelijke omstandigheid zou zich kunnen voordoen wanneer moet worden bewerkstelligd dat de aandeelhouder instemt met een bepaald besluit. De onderstaande voorzieningen zouden dan niet volstaan, terwijl de beheerder de bevoegdheid heeft om te stemmen op de aandelen. In die situatie zou echter ook bij wijze van onmiddellijke voorziening kunnen worden bevolen dat een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders niet vereist is (zie in dit verband bijvoorbeeld: Hof Amsterdam 11 december 2013, JOR 2014, 36 m.nt. Josephus Jitta). Een andere reden zou kunnen zijn gelegen in het wegnemen van problemen die zouden kunnen ontstaan als gevolg van het overdragen van de aandelen aan een derde. Dit probleem is vergelijkbaar met hetgeen hierboven is besproken ten aanzien van reële executie. Zie daarnaast ook paragraaf 7.4.8. van dit hoofdstuk.
Het kan echter ook voorkomen dat de aandelen worden overgedragen aan een bestuurder, commissaris, minderheidsaandeelhouder, certificaathouder of onafhankelijke derde (Veenstra 2010, p. 199).
Zie in dit verband: Eikelboom 2011-1; Geerts 2004 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 356, Aant. 10.2. Eikelboom staat uitgebreid stil bij de vermogensrechtelijke aspecten van deze voorziening. Ook de wet spreekt van het overdragen van aandelen (artikel 2:356 onder e BW). Josephus Jitta en Barkhuysen menen in tegenstelling tot Eikelboom en Geerts dat de beheerder rechthebbende op de aandelen wordt, maar dat een beperkt recht op de aandelen wordt gevestigd, waarbij het stemrecht direct overgaat op de derde (Hof Amsterdam (OK) 18 december 2009, JOR 2010, 42 m.nt. Josephus Jitta & Barkhuysen).
Hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009, 127 m.nt. Josephus Jitta (E-Traction). Zie ook: Buijn & Storm 2013, p. 1027-1029.
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2007, JOR 2008, 35 (De Hasker).
Hof Amsterdam (OK) 23 november 2013, ARO 2014, 1.
Hof Amsterdam (OK) 13 december 2007, ARO 2008, 1 (E-Traction).
Buijn & Storm 2013, p. 1025; Eikelboom 2011-2; Klein Wassink 2012, p. 134; Storm 2014-1, p. 127; HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Maeijer (Skygate); HR 14 september 2007, JOR 2007, 238 m.nt. Bartman bij JOR 2007, 239; Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3, p. 32.
Van Wijk 2007, p. 391.
Uit het onderzoek van Cools e.a. (Cools (e.a.) 2009) blijkt tevens hoe vaak deze voorzieningen in de periode 1994 tot 2007 zijn gehanteerd. Daaruit volgt dat in die periode negen keer de aandelen tijdelijk zijn overgedragen en 24 keer het stemrecht op aandelen is geschorst (Cools (e.a.) 2009, p. 71-72). De laatste jaren heeft het overdragen van aandelen ten titel van beheer echter sterk aan populariteit gewonnen, aldus Buijn en Storm (Buijn & Storm 2013, p. 1029). Zie in dit verband ook de in voetnoot 95 opgenomen beschikkingen van de Ondernemingskamer.
Eikelboom 2014-2; Leijten & Nieuwe Weme 2012, p. 159 e.v.; Willems 2011, p. 167.
Eikelboom 2011-1; Eikelboom 2014-2.
HR 23 maart 2012, NJ 2012, 393 m.nt. Van Schilfgaarde (E-traction).
Zie evenzo: Leijten & Nieuwe Weme 2012, p. 160 e.v.
Daarbij worden onder meer verwezen naar: HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Maeijer (Skygate); HR 9 februari 2010, NJ 2010, 296 m.nt. Van Schilfgaarde (Wolting/Beijk); HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt Van Schilfgaarde (Inter Acces).
Zie in dit verband eveneens: Schild 2012, p. 166.
Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4719 (TRP). Volledigheidshalve merk ik op dat ik bij deze zaak betrokken was als één van de raadslieden van een aantal belanghebbenden. Zie over deze uitspraak en het overdragen van aandelen door de Ondernemingskamer ook: Lok & Kemp 2015, p. 207-208.
R.o. 3.9.
In het kader van de enquêteprocedure kan door de verzoekers – sinds 1 januari 19941 – een onmiddellijke voorziening worden verzocht.2 Tot die tijdmoest men een kort geding starten om een voorlopige maatregel te verkrijgen. De onmiddellijke voorziening heeft evenals de voorlopige voorziening in kort geding een ordekarakter. De Ondernemingskamer kan een onmiddellijke voorziening treffen wanneer het belang van het onderzoek of de toestand van de vennootschap dit vereist.3 Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de vennootschap en de belangen van degenen die krachtens wet en statuten bij haar organisatie betrokken zijn (de institutioneel betrokkenen van artikel 2:8 BW).4 Er bestaat geen limitatieve opsomming van de mogelijke onmiddellijke voorzieningen5 en de Ondernemingskamer behoeft geen wettelijke basis voor haar voorziening te hebben. De onmiddellijke voorziening kan zelfs afwijken van dwingend recht.6
In een geschil tussen een (enquêtegerechtigde) belanghebbende en de aandeelhouder( s) tegen wiens gedrag de belanghebbende zich verzet kan de onmiddellijke voorziening een belangrijk middel zijn om de aandeelhouder die in strijd met de verantwoordings-/toetsingsnorm handelt aan te pakken. Daarbij zijn blijkens de uitspraken van de Ondernemingskamer verschillende onmiddellijke voorzieningen denkbaar. Met betrekking tot de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen jegens individuele aandeelhouders kunnen in ieder geval drie categorieën van elkaar worden onderscheiden:
De eerste onmiddellijke voorziening is de schorsing van het stemrecht op de aandelen en uitsluiting van deelname aan de besluitvorming. Deze onmiddellijke voorziening werd onder meer getroffen in de zaak Richley International.7 Hier was sprake van een joint venture tussen Sea Resource (SR) en Investors Holdco (IH) die hun samenwerking hadden verwezenlijkt in de vennootschap Rickley International (RI), waarin SR 30% van de aandelen hield en IH 70%. Amber is de dochtervennootschap van RI en daarin is de onderneming ondergebracht. De uiteindelijk economisch gerechtigde van IH is tevens aandeelhouder van een grote crediteur van Amber. In 2010 zijn de statuten van Amber met betrekking tot de samenstelling van het bestuur op een voor SR nadelige manier gewijzigd. Vervolgens heeft IH aan SR medegedeeld dat de general manager van Amber het faillissement van de vennootschap heeft aangevraagd. SR stelt vervolgens een enquêteverzoek in, waarbij zij erop wijst dat zij onvoldoende informatie ontvangt, dat het faillissement is aangevraagd zonder de op basis van de aandeelhoudersovereenkomst vereiste goedkeuring van SR en dat de statuten van Amber ingrijpend zijn gewijzigd buiten haar om. Daarbij wijst SR er ook op dat IH een poging doet haar positie als aandeelhouder te scheiden van haar positie als geldverstrekker, zodat zij kan aansturen op het faillissement van Amber en RI om vervolgens het door Amber uitgevoerde project over te nemen.
Dit laatste in ogenschouw nemende acht de Ondernemingskamer het treffen van een onmiddellijke voorziening op zijn plaats, waarbij het voornaamste doel het wegnemen van de onzekerheid over de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders is. De Ondernemingskamer besluit om bij wijze van onmiddellijke voorziening het stemrecht van IH op de aandelen die zij houdt in RI te schorsen.8
In de bovengenoemde zaak van Rickley International werd het stemrecht van een aandeelhouder in zijn geheel geschorst. De Ondernemingskamer kan ook bepalen dat het deelnemen door een bepaalde aandeelhouder aan een specifiek besluit wordt geschorst.9 Deze onmiddellijke voorziening werd onder meer getroffen in de beschikking inzake Stichting Continuïteit ASMI (de Stichting).10 Hier verbood de Ondernemingskamer het de Stichting om deel te nemen aan de besluitvorming ter zake van een besluit tot het verlenen van een nieuwe optie op het uitgeven van preferente beschermingsaandelen aan de Stichting. De Ondernemingskamer acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid wanneer het bestaan van een (latente) beschermingsmaatregel afhankelijk wordt gemaakt van de wil van degene die onderdeel uitmaakt van de beschermingsmaatregel en die de beschermingsmaatregel feitelijk in stelling kan brengen.
De derde onmiddellijke voorziening is het overdragen van de aandelen ten titel van beheer.11 Dit is een van de meest ingrijpende voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen en ligt voor de hand wanneer het wanbeleid zich in de algemene vergadering van aandeelhouders voordoet,12 alsmede wanneer verwacht wordt dat een minder vergaande onmiddellijke voorziening, zoals de voorzieningen die hierboven worden aangehaald, onvoldoende zijn om het beoogde doel te bereiken.13 Bij deze onmiddellijke voorziening worden de aandelen in ‘eigendom’ overgedragen aan een derde (vaak een stichting14),15 die de aandelen op grond van de beheeropdracht verkrijgt. De beheerder kan daarbij alle bevoegdheden uitoefenen die aan de aandelen verbonden zijn.16 Deze voorziening wordt door de Ondernemingskamer onder verschillende omstandigheden aangewend. Het uiteindelijke doel van de Ondernemingskamer is daarbij altijd om de huidige aandeelhouder zijn rechten (tijdelijk) te ontnemen. Deze omstandigheden betreffen onder meer blokkerende gedragingen door de minderheidsaandeelhouder,17 een impasse in de besluitvorming binnen de algemene vergadering18 en het voornemen om middels de algemene vergadering van aandeelhouders een besluit te nemen dat de reeds getroffen onmiddellijke voorziening doorkruist.19
Worden de voornoemde onmiddellijke voorzieningen bestudeerd, dan blijkt dat de bevoegdheden, in het bijzonder het stemrecht, van de aandeelhouders op drie niveaus kunnen worden beperkt. Bepaald kan worden dat de aandelen worden overgedragen ten titel van beheer. Dit is de meest vergaande voorziening, waarbij de aandeelhouder zijn aandelen (en de daaraan verbonden rechten) voor de duur van het beheer geheel verliest. Een minder vergaande voorziening is dat de aandeelhouder voor een bepaalde tijd het stemrecht op zijn aandelen niet mag uitoefenen. Tot slot is de minst vergaande voorziening dat de aandeelhouder enkel ten aanzien van een bepaald specifiek besluit het stemrecht niet mag uitoefenen. Welke voorziening in de concrete omstandigheid wordt getroffen, is afhankelijk van de omstandigheden, waarbij de proportionaliteitseis in acht moet worden genomen.20 Is een minder ingrijpende voorziening even effectief, dan moet dus voor die voorziening worden gekozen.21 Het ligt daarmee voor de hand pas aandelen ten titel van beheer over te dragen wanneer met het schorsen van het stemrecht niet hetzelfde doel kan worden bereikt.22
In de literatuur wordt betoogd dat een nog verdergaande onmiddellijke voorziening mogelijk moet zijn, namelijk het definitief overdragen van de aandelen nadat deze ten titel van beheer zijn overgedragen aan een tijdelijk beheerder.23 Eikelboom wijst erop dat deze mogelijkheid zijns inziens ook binnen de huidige wettelijke regeling bestaat.24 De eerste mogelijkheid is dat de tijdelijk beheerder, die beschikkingsbevoegd is, de ten titel van beheer overgedragen aandelen met goedkeuring van de Ondernemingskamer overdraagt aan een derde. De tweede mogelijkheid is om bij wijze van onmiddellijke voorziening tijdelijk af te wijken van de statuten en een tijdelijke statutaire uitstoot- of uittredingsregeling in te voeren. Ten aanzien van de juridische uitvoerbaarheid van deze voorzieningen bestaan wel twijfels. Timmerman merkt bijvoorbeeld in zijn conclusie bij het arrest inzake E-Traction25 op, dat de tijdelijk beheerder de aandelen wel, met goedkeuring van de Ondernemingskamer, kan overdragen, maar dat gezien het tijdelijk karakter van de voorziening bij de overdracht wel waarborgen moeten bestaan dat de aandelen weer kunnen worden teruggeleverd.26 Hier is dus geen sprake van definitieve overdracht. Eikelboom wijst erop dat onmiddellijke voorzieningen onomkeerbare gevolgen mogen hebben, als gevolg waarvan de door Timmerman geformuleerde beperking niet opgaat.27 Timmerman wijst er ook op dat wanneer aandelen definitief behoren te worden overgedragen, de geschillenregeling de te bewandelen weg is.28
In 2014 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het faciliteren van een definitieve overdracht van aandelen niet behoort tot de mogelijkheden binnen de enquêteprocedure, in ieder geval voor zover het de onmiddellijke voorzieningen betreft.29 Hier was sprake van een verzoeker, SAAE, die verzocht om middels een onmiddellijke voorziening de statuten van de joint venture vennootschap, TRP, te wijzigen op een zodanige manier dat een statutaire geschillenregeling werd opgenomen. Die statutaire geschillenregeling zou dan worden vormgegeven middels een ‘Texas shoot out’. De Ondernemingskamer overwoog ten aanzien van de juridische haalbaarheid van deze onmiddellijke voorziening:
‘De Ondernemingskamer constateert voorts dat de verzochte onmiddellijke voorziening in feite neer komt op een door de Ondernemingskamer bepaalde gedwongen overdracht van de aandelen in het kapitaal van TRP. Een dergelijke voorziening is niet naar zijn aard voorlopig en kan dan ook niet worden aangemerkt als een onmiddellijke voorziening in de zin van artikel 2:349a BW.’30
Zowel bij de Ondernemingskamer als bij de voorzieningenrechter bestaat de mogelijkheid om een aandeelhouder zowel een verplichting tot een doen als een verplichting tot een laten op te leggen. Welke rechtsgang in een specifieke situatie wenselijk is hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de bovenstaande gezichtspunten relevant kunnen zijn. Belangrijk is bovendien dat wanneer een onmiddellijke voorziening bij de voorzieningenrechter is verzocht (en verkregen) de weg naar de Ondernemingskamer voor een andersluidende voorziening meer kans van slagen heeft dan wanneer men de tegenovergestelde weg tracht te bewandelen.