Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/987
Niet toereikende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op grond dat aan de verdachte een vonnismededeling is gedaan.
HR 02-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1225
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 september 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/01500
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1225, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:808, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑10‑2023
- Wetingang
Essentie
De verdachte is in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het hof het hoger beroep was ingesteld na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is (vgl. artikel 408 lid 2 Sv). Aan zijn oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat aan de verdachte op 7 april 2021 een vonnismededeling (als bedoeld in artikel 366 Sv) is gedaan. Het over dit oordeel klagende cassatiemiddel slaagt volgens de Hoge Raad; de redenen daarvoor staan vermeld ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.