RvdW 2025/991:Mishandeling door bij ruzie in café een ander met scherp voorwerp in zijn gezicht te slaan, art. 300 lid 1 Sr. Noodweer, art. 41 lid 1 Sr. Kon hof oordelen dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond, omdat niet is gebleken dat aangever, nadat hij verdachte had geslagen en nog voordat verdachte terugsloeg, bleef slaan of dat er aanwijzingen waren dat aangever nogmaals zou slaan? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Als hof met zijn overweging dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot bestond, tot uitdrukking heeft willen brengen dat aanranding reeds was geëindigd, zodat beroep op noodweer niet meer mogelijk was, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Uit ’s hofs feitelijke vaststellingen volgt immers dat behoorlijk dronken aangever de verdachte al herhaaldelijk had lastiggevallen en zowel de eerste was die duwde als de eerste die klap gaf, terwijl verdachte heeft verklaard dat kroeg vol was, hij geen kant op kon en hij aannam dat als iemand slaat wanneer je hem (terug)duwt, het niet laatste keer is dat diegene slaat. Daarbij komt dat uit een voor bewijs gebruikte verklaring van getuige volgt dat er onderling werd geslagen en geduwd en aangever en verdachte uit elkaar werden gehaald. Hof heeft zo bezien te beperkte uitleg gegeven aan begrip ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij oordeel dat niet is gebleken dat aangever bleef slaan of dat er aanwijzingen waren dat aangever nogmaals zou slaan (ook in het licht van wat is aangevoerd), niet begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Het zou ook kunnen dat hof met zijn overweging dat verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond, heeft bedoeld te zeggen dat niet is voldaan aan subsidiariteitseis, waarbij doorgaans ook die bewoordingen worden gebruikt. Van ontbrekende noodzaak tot verdediging is in dat kader bijvoorbeeld sprake als verdachte zich aan situatie had kunnen en moeten onttrekken. Meer in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat verdediging niet noodzakelijk is wanneer er als alternatief voor verdediging zinvolle mogelijkheden bestonden waarvan gebruik bovendien redelijkerwijs mocht worden gevergd. Hoe hof dat dan precies heeft gezien, is echter niet duidelijk. Zowel verdachte als raadsman heeft naar voren gebracht dat kroeg vol was en verdachte geen kant op kon. Hof heeft daarover geen vaststellingen gedaan en heeft dus ook niet toegelicht hoe verdachte zich onder die omstandigheden had moeten onttrekken. Evenmin heeft hof geëxpliciteerd welke andere alternatieven voor verdediging voor verdachte aanwezig waren. Dat, zoals hof wel heeft overwogen, niet is gebleken dat aangever doorging met slaan of dat er aanwijzingen waren dat hij nogmaals zou slaan, is daarvoor in ieder geval niet toereikend. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.