Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.3
4.3 De ERT-lijn
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363005:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 18 juni 1991, zaak C-260/89, (ERT); zie ook: Mol, de, e.a. 2012, onder 2.3 en Snell 2015 onder 2.
Mol, de, 2013, onder 4.2.
HvJ 18 juni 1991, zaak C-260/89, (ERT), punt 42.
HvJ 18 juni 1991, zaak C-260/89, (ERT), punten 41 tot en met 45; Zie ook: HvJ 26 juni 1997, zaak C-368/95, (Familiapress), punt 24.
Fierstra 2013, p. 200; Eijsden, van, 2014, onder 5.1.
HvJ 30 april 2014, zaak C-390/12, (Pfleger); Zie ook: 2014 Report on the application of the EU Charter of Fundamental Rights, p. 155.
Mol, de, 2012, p. 54.
HvJ 24 februari 2015, zaak C-512/13, (Sopora).
De 30%-regeling houdt in dat een werkgever aan bepaalde werknemers onder bepaalde voorwaarden forfaitair 30% van het loon inclusief de vergoeding onbelast kan geven (gerichte vrijstelling) voor de extraterritoriale kosten. Een van de voorwaarden is dat de werknemer meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland woonachtig is.
De tweede categorie zaken waarvan duidelijk is dat zij binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, zijn zaken die vallen onder de ERT-lijn.1 Het gaat daarbij om de toepassing van grondrechten op nationale maatregelen die kwalificeren als een beperking (ook wel belemmering) van het vrije verkeer.2 ERT, een Griekse radio- en televisieomroeponderneming, had van de Griekse staat exclusieve rechten toegekend gekregen voor de uitoefening van haar activiteiten. De vraag werd opgeworpen of het Griekse stelsel van exclusieve rechten op het gebied van televisie verenigbaar was met het recht op vrijheid van meningsuiting. De Griekse staat deed een beroep op de openbare orde ter verdediging van de toegekende rechten.3 Uit dit arrest blijkt dat als sprake is van nationaal recht waarin een krachtens het Unierecht toegestane afwijking is opgenomen, de zaak onder de werkingssfeer van het Unierecht valt.4Het betreft nationale maatregelen die in beginsel in strijd zijn met een verbodsbepaling van het Unierecht, maar waarbij de overheid een beroep doet op een Unierechtelijke rechtvaardigingsgrond.5 Een ander voorbeeld hiervan is de zaak Pfleger.6 Aan Pfleger was een bestuurlijke sanctie opgelegd, omdat hij kansspelautomaten had geëxploiteerd zonder vergunning. Het Hof van Justitie zag de Oostenrijkse wetgeving als een uitzondering op de vrijheid van dienstverrichting. Wanneer een lidstaat zich beroept op dwingende redenen van algemeen belang, met het oog op de regels die in de uitoefening de vrijheid van dienstverrichting kunnen belemmeren, moeten deze dwingende redenen worden uitgelegd in het licht van de algemene beginselen van Unierecht, in het bijzonder de fundamentele rechten die het Handvest voortaan garandeert. Deze categorie zaken betreft daarmee de directe werking van grondrechten ten aanzien van nationale regelingen die een beperking opleveren van het vrije verkeer.7 Een laatste voorbeeld is de zaak Sopora.8 De in het buitenland (binnen de Unie) wonende Sopora werkte in Nederland en verzocht samen met zijn werkgever, die is gevestigd in Nederland, de toepassing van de 30%-regeling.9 De Nederlandse belastingdienst wijst dit verzoek af, omdat Sopora niet voldeed aan het 150-kilometer criterium. Sopora beriep zich op het non-discriminatiebeginsel. De nationale maatregel zou een belemmering opleveren van het vrije verkeer van werknemers. De Nederlandse staat wierp op dat sprake is van nationaal recht dat zich beroept op een op grond van het Unierecht toegestane afwijking. Volgens artikel 45, lid 2, van het VWEU houdt het vrije verkeer van werknemers de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden betreft. Het Hof van Justitie oordeelde dat artikel 45 van het VWEU zich niet verzet tegen deze nationale wettelijke regeling, tenzij de grens van 150 kilometer zodanig is vastgesteld dat deze vrijstelling systematisch aanleiding geeft tot een duidelijke overcompensatie van de werkelijk gemaakte extraterritoriale kosten.