Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.6
4.6 De Annibaldi-ondergrens
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362862:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 18 december 1997, zaak C-309/96, (Annibaldi); zie ook: Mol, de, e.a. 2012, onder 2.4; Werf, van der, 2016, onder 2.2.
Fontanelli 2014, p. 204, 205 (Fontanelli is Lecturer in International Economic Law, University of Edinburgh).
Fontanelli 2014, p. 205; HvJ 16 januari 2008, zaak C-361/07, (Polier).
HvJ 6 maart 2014, zaak C-206/13, (Siragusa), punt 24.
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punten 29 en 30; zie ook Kokott en Sabotta, 2015, onder III.
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punten 29 en 30.
Uit onder andere de zaak Annibaldi blijkt dat sprake is van een ondergrens.1 Het verzoek van Annibaldi tot toekenning van een vergunning voor het aanleggen van een boomgaard binnen de omtrek van een regionaal natuur- en archeologisch park is afgewezen. Annibaldi stelde beroep in, omdat hij van mening was dat sprake was van onteigening zonder schadeloosstelling. Uit deze zaak blijkt dat het Unierecht niet van toepassing is wanneer de lidstaten niet handelen binnen het kader van de bevoegdheden van de Europese Unie en er geen specifiek verband bestaat tussen de nationale regeling en het Unierecht. Fontanelli neemt daarbij aan dat de gehanteerde norm in de zaak Annibaldi een ondergrens is voor de aanname dat een zaak wellicht onder de werkingssfeer van het Unierecht valt.2 Nationale normen, waarvan niet kan worden geconcludeerd dat deze de uitvoering beogen van een Unierechtelijke bepaling en welke normen slechts indirect hetzelfde onderwerp aanstippen als specifieke Uniewetgeving en welke normen daarbij verschillende doelen nastreven, zijn niet aan te merken als vallend binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Uit de zaak Polier is af te leiden dat indirecte gemeenschappelijke doeleinden onvoldoende zijn om een zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht te brengen.3 In de zaak Siragusa overweegt het Hof van Justitie nadrukkelijk dat er een zeker verband moet bestaan welke band verdergaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken nationale en Unierechtelijke materies voor het inroepen van de bescherming van het Handvest.4 Een mogelijke schending van de grondrechten, waaronder een mogelijke schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, kan niet leiden tot het ten uitvoer brengen van het Unierecht.5 A-G Bobek geeft dit in zijn conclusie in de zaak Ispas op fraaie wijze weer:6
“29. Het uitgangspunt is duidelijk: de grondrechten van de Unie, zowel die welke zijn neergelegd in het Handvest als die welke de status van algemeen beginsel van Unierecht hebben gehouden, kunnen toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. Met andere woorden, de grondrechten van de Unie moeten worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt maar die grondrechten geen toepassing vinden. De grondrechten worden met recht de „schaduw” van het Unierecht genoemd.
30. Dit betekent echter ook dat er, los van en verschillend van het grondrecht zelf, een Unierechtelijke regel van toepassing moet zijn. De bepalingen van het Handvest (of een specifiek grondrecht) kunnen op zich niet worden aangevoerd als grondslag voor de bevoegdheid van het Hof. Met andere woorden, een schaduw kan niet zelf een schaduw werpen.”