Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.4:4.3.5.4 Verhouding tot het Unierecht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.4
4.3.5.4 Verhouding tot het Unierecht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495413:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.3.5.
Zie onder meer HvJ 26 januari 2012, nr. C-588/10, V-N 2012/11.21 (Kraft Foods Polska), r.o. 28 e.v. en HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21 (Almos), r.o. 39. Vgl. HvJ 15 maart 2007, nr. C-35/05, V-N 2007/15.10 (Reemtsma).
Zie ook mijn aantekening bij HR 29 mei 2015, FED 2015/88.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 5 Btw-richtlijn vormt de Unierechtelijke basis voor de aangifteverplichting. Art. 250 lid 1 Btw-richtlijn bepaalt dat iedere belastingplichtige een btw-aangifte moet indienen waarop alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen. Krachtens het tweede lid van bedoelde bepaling staan lidstaten onder door hen te stellen voorwaarden toe dat de btw-aangifte langs elektronische weg wordt ingediend. Zij mogen dit ook verplicht stellen. Naar mijn mening worden de nationale voorschriften niet door deze bepalingen doorkruist. Dit geldt zowel voor de systematiek zoals die gold onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) als die geldt onder art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017). Ook art. 90 lid 1 Btw-richtlijn vormt in mijn optiek geen obstakel. Op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn mogen lidstaten voorwaarden stellen aan de uitvoering van de verlaging van de maatstaf van heffing. Uit rechtspraak van het HvJ volgt dat deze voorwaarden niet verder mogen gaan dan die welke de mogelijkheid bieden aan te tonen dat de vergoeding niet zal worden ontvangen.1 Het op grond van art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) en (voor zover het overgenomen vordering betreft) art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) moeten verstrekken van additionele gegevens c.q. het toesturen van een kopiefactuur van de betreffende oninbare vordering maken hierop naar mijn mening geen inbreuk. Dit zou slechts anders zijn wanneer het voor de ondernemer onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn om een teruggaaf van btw te bewerkstelligen.2 Dat lijkt mij hier niet aan de orde.3