Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.8
4.3.8 Vruchttrekking
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623500:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze regel brengt geen verandering ten opzichte van het oude recht. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 94. Zie ook Land 1901, p. 136. Anders: Diephuis 1886, p. 83.
Zie Land 1901, p. 136: 'AI is nu echter de eigenaar der hoofdzaak na afscheiding niet noodzakelijk ook eigenaar van de vrucht, toch is het zeker het meest natuurlijke, dat hij de eigenaar daarvan wordt [...].' Zie voor Belgisch recht art. 547-550 BBW.
Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 114; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 80.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 289.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 80; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 495 en 527.
Een definitie van burgerlijke vruchten ontbreekt eveneens, zie hierover Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 289a.
Zie Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 272. Zie ook Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 298a, waarin voor de verkrijging van burgerlijke vruchten door genotsgerechtigden wordt gekeken naar (analoge toepassing van) art. 5:17BW en 3:120 lid 1 BW voor vruchtgebruik.
Verkrijging van een vordering op grond van een overeenkomst is een originaire verkrijging. Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 192.
112.
Vruchten zijn natuurlijke en burgerlijke vruchten, zo leert art. 3:9 BW. Het vierde lid voegt hieraan toe dat natuurlijke vruchten door hun afscheiding zelfstandige zaken worden en burgerlijke vruchten zelfstandige rechten worden op het moment dat zij opeisbaar zijn1 Het ontstaan van nieuwe goederen roept wederom onvermijdelijk de vraag op aan wie zij toebehoren.
Vruchttrekking is een bijzondere vorm van het afscheiden van bestanddelen, voor zover dit van toepassing is op afscheiding van natuurlijke vruchten. Hiervoor kent het BW deels een bijzondere regeling in Boek 5 BW. De Limburgse wijnboer die in september de druiven van zijn helling haalt, wordt op grond van art. 5:1 lid 3 BW in beginsel eigenaar van de druiventrossen die tot die tijd bestanddeel waren van zijn wijnranken en vallen onder het eigendomsrecht dat hoort bij de grond waarop zij staan (art. 5:20 BW). Eigenaar van de zaak waarvan de vrucht wordt afgescheiden, wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de nieuwe zaken.2 De eerste uitzondering op deze regel betreft de gerechtigde van een zakelijk genotsrecht, zoals de vruchtgebruiker, de erfpachter en andere gerechtigden, zoals de pachter en de bezitter te goeder trouw (art. 3:120 BW).3 Zij ontlenen eigendom van de afgescheiden natuurlijke vruchten aan hun recht in combinatie met art. 5:17 BW. Degene die krachtens zijn genotsrecht op een zaak gerechtigd is tot de vruchten daarvan, verkrijgt van rechtswege de eigendom van de vruchten door haar afscheiding.4 De tweede uitzondering is te vinden in art. 5:45 BW. Indien vruchten van een boom vallen en op een naburig erf terechtkomen, worden zij eigendom van degene die recht heeft op de vruchten van het buurerf. In beginsel is dit dus de buurman, met uitzonderingen voor personen met een gebruiksrecht ten aanzien van het buurerf. De hoofdregel knoopt voor de eigendomsverkrijging aan bij de eigendom van de hoofdzaak, waarvan de vruchten het bestanddeel vormden. Niet van belang is wie de vruchten daadwerkelijk plukt, zoals het geval is bij art. 5:16 lid 2 BW, of het bezit van de nieuwe zaken, zoals art. 3:119 BW vooropstelt.5
Opvallend is dat voor burgerlijke vruchten een vergelijkbare expliciete regeling ontbreekt.6 De gerechtigdheid tot de rente van de vordering en de huur van een onroerende zaak moeten op een andere wijze toegewezen worden. H. Snijders kijkt hiervoor naar art. 3:9 BW en de regels over betrokken genotsrechten, waaruit een recht op vruchttrekking volgt.7 Deze bepalingen kunnen echter niet verklaren hoe de verkrijging plaatsvindt als er geen bijzondere genotsrechten zijn. Het leeuwendeel van de burgerlijke vruchten vloeit voort uit verbintenissen uit overeenkomst. Deze overkomsten bepalen vaak wie de schuldeiser van de vorderingen is en daarmee in beginsel wie de rechthebbende van deze vruchten is.8 Voor het overige moet mijns inziens aansluiting worden gezocht bij art. 5:1 lid 3 BW. Verkrijging van burgerlijke vruchten hangt samen met de rechtsverhouding waar de vrucht, zijnde het nieuwe goed, uit voortvloeit. De rechtsverkrijging bij vruchttrekking hangt dus, evenals bij veel van de bovenstaande originaire verkrijgingen, samen met de gerechtigdheid tot andere goederen. De eigendom of het gebruiksrecht van de zaak waarvan een vrucht wordt afgescheiden is in beginsel bepalend voor de eigendomsverkrijging van de natuurlijke vrucht. De overeenkomst waar de nieuwe verbintenis die als vrucht is aan te merken uit voortvloeit, bepaalt wie rechthebbende is van de burgerlijke vruchten, tenzij anderen zich op een betere rechtsgrond kunnen beroepen.
113.
Het verkregen recht zal steeds niet-beperkt en onbezwaard zijn. Voor het ontstaan van beperkte rechten op afgescheiden vruchten vergelijkbaar met die welke op de hoofdzaak rustten, is geen reden. Deze beperkte rechten blijven op de hoofdzaak zien. Bezwaarlijk is dit mijns inziens allerminst. De hoofdzaak nam eerst in omvang toe ten voordele van de beperkt gerechtigde en krimpt bij afscheiding van de vruchten ten nadele van dezelfde persoon. De eigendomsverkrijging van de vruchten knoopt in beginsel aan bij de eigendom van de hoofdzaak, maar de vrucht moet om die reden nog niet worden gezien als een voortzetting van dit recht, hetgeen behoud van beperkte rechten kan rechtvaardigen.