Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.6
4.3.6 Zaaksvorming
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625380:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Fikkers 1999, p. 65; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 517; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 288. Zie met betrekking tot art. 661 (oud) BW Suijling 1940, p. 240: 'In deze regel leeft nog altijd de Aristotelische gedachte voort, dat de vorm boven den inhoud gaat.'
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 75; Bartels 2007, p. 5.
Vgl. art. 572 e.v. BBW.
Dit kan in de praktijk gecompliceerde vragen opleveren met betrekking tot de verhoudingen en waarde van de gebruikte grondstoffen.
Zie Wichers 2002, p. 272.
Zie Fikkers 1999, p. 70.
Zie Wichers 2002, p. 295.
Zie Fikkers 1999, p. 72; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 78; Heisterkamp, in Pitlo/Reehuis 2006, nr. 517 en 526.
Vgl. art. 570-571 BBW.
Zie Wichers 2002, p. 272. De eigendom van de oorspronkelijke zaken beïnvloedt wel het antwoord op de vraag, of het eerste dan wel het tweede lid moet worden toegepast.
Vgl. HR 2 oktober 1990, NJ 1992, 226, AA 1991, p. 260 (Breda/Antonius).
Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 110; Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 75; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 289. Anders: Wichers 2002, p. 185. Dit vindt haar reden in het gegeven dat bij het bepalen van de kosten alle relevante uitgaven, dus ook vaste kosten voor gebruikte machines en inrichtingen, moeten worden meegeteld. De verwijzing naar het rechtvaardigen van de eigendomsverkrijging lijkt een verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid. Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 111. Vgl. Wichers 2002, p. 186. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat het echter niet de bedoeling is, dat tot een afweging van waarde wordt gekomen. De waarde van het werk mag niet worden afgezet tegen de waarde van de grondstoffen. Zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 111. Zie ook Fikkers 1999, p. 79.
Zie over deze oude controverse tussen de vorm en de stof: Fikkers 1987, p. 532 en Wichers 2002, p. 177 e.v. Land (1901, p. 165) kiest een andere invalshoek en benadert de verkrijging na zaaksvorming op grond van art. 661 (oud) BW als een vorm van inbezitneming.
Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 5*, nr. 76. Anders: Hartkamp in zijn conclusie bij HR 2 oktober 1990, NJ 1992, 226, AA 1991, p. 260 (Breda/Antonius). Hij beperkt de reikwijdte van art. 661 (oud) BW (en het tweede lid van art. 5:16 BW) nog verder door dit slechts van toepassing te achten, als het gebruikte materiaal noch toebehoort aan degene die zelf vormt, noch aan degene voor wie de zaaksvormer
107.
Zaaksvorming is geregeld in art. 5:16 BW. Kenmerkend is dat een nieuwe zaak ontstaat, dat wil zeggen een zaak met een eigen, van de oorspronkelijke zaken te onderscheiden identiteit en dat dit gebeurt door enige (vormende) arbeid.1
Wanneer sprake is van zaaksvorming, staat vast dat een nieuwe zaak ontstaat en dat de eigendom van de grondstoffen die bij de vorming betrokken zijn geweest, tenietgaat. Bij de nieuwe zaak hoort een nieuw eigendomsrecht2 en de vraag is aan wie dit recht om welke reden toe komt. Art. 5:16 BW geeft twee mogelijkheden. In het eerste lid ligt de nadruk op de zaken die als grondstof bij de vorming van de nieuwe zaak betrokken zijn. De eigendom van de nieuwe zaak wordt toegekend aan degene die eigenaar was van de grondstoffen.3 Deze eigendomstoewijzing is gebaseerd op de eigendom van de oorspronkelijke zaken. Indien de oorspronkelijke zaken aan meer personen toebehoorden, zijn de artikelen met betrekking tot natrekking en vermenging van overeenkomstige toepassing. Bij het ontbreken van een hoofdbestanddeel ontstaat een gemeenschappelijk eigendomsrecht, waarbij het aandeel van de verschillende betrokkenen wordt bepaald aan de hand van de eigendomsverhoudingen ten opzichte van de oorspronkelijke zaken.4 Krachtens de wet ziet de eigenaar voor zijn eigendomsrecht op de oorspronkelijke zaken (een aandeel in) de nieuw gevormde zaak in de plaats treden.5 Deze regel is in beginsel toepasbaar op uiteenlopende gevallen. De amateurbakker wordt eigenaar van de taart die hij zaterdagmiddag thuis bakt uit eigen appels, meel, eieren en boter. Indien de boter en eieren van de buurvrouw waren, wordt zij in beginsel mede-eigenaar van het baksel. Als een kleindochter de taart bakt uit ingrediënten van de grootmoeder, dan wordt het oma's appeltaart.
Het door art. 5:16 lid 1 BW gegeven antwoord op de vraag wie eigenaar is van een nieuw gevormde zaak, sluit aan bij de wijzen van eigendomsverkrijging in de voorgaande twee artikelen.6 In deze gevallen is de eigendom van de betrokken oorspronkelijke zaken bepalend. Evenals in art. 5:14 lid 2 BW kan het verkregen eigendom in het onderhavige geval worden gezien als de voortzetting van rechten en rechtsverhoudingen, zoals die vóór de wijziging ten aanzien van de oorspronkelijke zaken gold. Wichers leidt hieruit af dat beperkte rechten die rustten op de gebruikte materialen, kunnen worden uitgeoefend op het op deze wijze toegekende eigendomsrecht.7 Mijnssen, Heisterkamp en Fikkers zijn echter van mening dat, als gevolg van het tenietgaan van de materialen die zijn gebruikt bij de vervaardiging van de nieuwe zaak, ook een beperkt recht dat rustte op een van de gebruikte zaken, verloren gaat.8 Evenals bij natrekking op grond van art. 5:14 lid 2 BW, bestaat er mijns inziens geen fundamenteel systematisch bezwaar tegen het aannemen van het voortzetten van goederenrechtelijke aanspraken in de vorm van beperkte rechten op een aandeel in het vervangende goed. Deze invulling is misschien rechtvaardiger, maar daar staat tegenover dat zij wel tot complexe situaties leidt, hetgeen wellicht minder wenselijk is. Zij geeft ook niet de heersende leer weer.
Het in het tweede lid geformuleerde antwoord legt de nadruk niet op het materiaal, maar op de geleverde inspanning.9 Degene die voor zichzelf, eventueel door middel van derden, de nieuwe zaak heeft gevormd uit zaken die (voor een deel) aan een ander toebehoorden, verkrijgt de nieuwe zaak. De eigendomsverkrijging sluit dus aan bij de (vormende) arbeid die verricht moet worden om de nieuwe zaak tot stand te brengen, terwijl de eigendom van de gebruikte materialen geen rol speelt bij de uiteindelijke toewijzing van de eigendom10 Het tweede lid maakt een uitzondering voor de gevallen waarin de kosten van de vorming deze verkrijging niet rechtvaardigen. In dat geval dient het eerste lid te worden toegepast en is de herkomst van de gebruikte materialen weer doorslaggevend. Doordat de toewijzing van eigendom losstaat van de eigendomsverhoudingen ten aanzien van het oorspronkelijke materiaal, is het verkregen recht in deze gevallen volledig en onbelast met beperkte rechten.11
108.
Beide door art. 5:16 BW gegeven regels kunnen in dezelfde situaties toepasbaar zijn. In het eerder genoemde voorbeeld, waarin de kleindochter van grootmoeders ingrediënten een taart bakt, wordt de taart eigendom van de kleindochter op grond van het tweede lid, als zij de taart voor zichzelf vormt. Oma kan zich op het tweede lid beroepen, als zij de opdracht (en het recept) aan haar kleinkind heeft gegeven en de grondstoffen deels niet van haar zijn.12 Het eerste lid geeft in theorie de hoofdregel,13 maar het tweede lid wordt vaker toegepast, doordat de feitelijke vormer zich hierop in een discussie steeds zal beroepen en de in het tweede lid geformuleerde uitzondering nauwelijks toepassing vindt. Van een dogmatisch overheersend uitgangspunt in de vorm van de herkomst van de grondstoffen, dan wel de geleverde inspanning, is echter geen sprake.14 Aangenomen moet worden dat toepassing van het tweede lid voor gaat in die gevallen, waarin beide regels van toepassing kunnen zijn en dus in gevallen, waarin iemand voor zichzelf vormt of doet vormen (mede) uit zaken die hem niet toebehoren. Het tweede lid functioneert als lex specialis ten opzichte van de bij de voorgaande bepalingen aansluitende lex generalis van het eerste lid. Voor een beroep op de lex specialis is daarbij voldoende dat het gebruikte materiaal ten dele niet toebehoort aan degene die met een beroep op deze regel eigendom wil verkrijgen, hetzij omdat hij zelf vormt, hetzij omdat hij doet vormen.15