Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.3
4.3.3 Schatvinding
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625822:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een schat in de zin van het BW kan tevens een roerend monument zijn in de zin van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, namelijk wanneer het gaat om een zaak die ten minste vijftig jaar geleden vervaardigd is en van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Zie over dergelijke monumenten: Salomons 2007.
Voor vondsten op een oude vuilstortplaats of in een beerput en dergelijke neemt Salomons aan dat geen sprake is van schatvinding, maar van inbezitneming van res derelicta. Zie Salomons 2007, onder 4.
Onder het oude recht ontbrak een regeling voor schatten gevonden in roerende zaken. Indien een dergelijke situatie zich voordeed, werd art. 642 (oud) BW, dat zag op de schat gevonden in een onroerende zaak, analoog toegepast. Zie Suijling 1940, p. 240. Zie voor een uitgebreid historisch overzicht: De Boer 1973, p. 429-438.
Anders onder oud recht, waarbij art. 642 (oud) BW in het tweede lid bepaalde dat een schat een zodanig verborgen of begraven zaak was waarop niemand zijn recht van eigendom kon bewijzen en die door louter toeval is ontdekt. Zie hierover onder anderen: Diephuis 1886, p. 45-46.
103.
Art. 5:13 BW is van toepassing op gevallen die goed bruikbaar zijn als scenario voor een jongensboek of sprookje, het vinden van een schat.1 Doordat de betrokken zaak zo lang verborgen is dat het achterhalen van de (erfopvolgers van) de oorspronkelijke eigenaar onmogelijk is geworden, is het nodig een nieuwe eigenaar aan te wijzen.2 De wetgever heeft een deels van art. 5:4 BW afwijkende regeling getroffen, door de eigendom toe te kennen aan de vinder, samen met de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin de schat zat verborgen.3 Enerzijds beloont de wet dus de moeite (of het toeval) van degene die op de schat stuit,4 anderzijds wordt aangeknoopt bij de eigendom van een zaak die feitelijk lange tijd was verbonden met de verborgen, als schat aan te merken zaak.5
Nu de oorspronkelijke eigenaar niet traceerbaar is (zie art. 5:13 lid 2 BW), is het aannemelijk dat het ook niet mogelijk is te achterhalen, of er beperkt gerechtigden ten opzichte van de teruggevonden zaak zijn. Het gemeenschappelijke recht van de vinder en de eigenaar van de (on)roerende zaak waarin zij verborgen was, is daarom steeds een volledig en onbelast eigendomsrecht.