Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.7
4.3.7 Afscheiding en splitsing
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623499:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het navolgende is beperkt tot veranderingen ten aanzien van roerende zaken. Splitsing van onroerende zaken of afscheiding van roerende zaken die een bestanddeel waren van een onroerende zaak, blijven buiten beschouwing.
Zie Suijling 1940, p. 241: 'Als een lichamelijke zaak in deelen wordt gesplitst, houdt de oorspronkelijke zaak op te bestaan en ontstaan altijd nieuwe zaken.' Zie ook Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 94.
Zie Spath 2004, p. 91.
Anders Suijling 1940, p. 241: 'Om practische redenen verwerpt ons recht de voorstelling, dat de splitsing van een zaak rechten doet ondergaan en nieuwe oorspronkelijke rechten doet verkrijgen. De eigendom van de ongedeelde zaak wordt geacht in den eigendom van de deelen voort te leven. Het ééne eigendomsrecht valt eenvoudig in een aantal eigendomsrechten uiteen.'
Zie ook Spath 2004, p. 95.
Zie Rutgers 1993, p. 253; Zwitser 1996, p. 89; Wichers 2002, p. 273; Van der Ven 2004, p. 101-104 en 2006, p. 92.
Zie Spruit 2003, nr. 308.
Zie Wichers 2002, p. 273; J.E. Jansen 2007-I, p. 92. Zie voor een andere conclusie met betrekking tot het recht vóór 1992: J.E. Jansen 2007-I, p. 86-87 en vgl. Diephuis 1886, p. 79; Meijers 1948, p. 129-130 en 134.
Zie Staudinger/Gursky § 951, nr. 75; Münch. Komm./Füller § 946, nr. 10 en § 947, nr. 9.'Als argument voor het afwijzen van het herleven van oude rechten wordt hiervoor bij afscheidingsrechten verwezen naar het aan de wegneembevoegdheid gekoppelde recht de afgescheiden zaak in bezit te nemen. Zie Staudinger/Gursky § 951, nr. 70.
Zie ook Suijling 1940, p. 52: 'Met de verdeeling van zijne zaak verkrijgt de eigenaar den eigendom van de afgescheiden delen.'
Zie par. 4.3.8.
Met name voor natuurlijke vruchten bestaan afwijkende regels in § 954-957BGB.
Zie Staudinger/Gursky Vorbem. zu §§ 953 ff, nr. 2; Münch. Komm./Oechsler § 953, nr. 1.
Zie Staudinger/Gursky § 953, nr. 4; Münch. Komm./Oechsler § 953, nr. 1.
Zie Staudinger/Gursky § 953, nr. 5; Münch. Komm./Oechsler § 953, nr. 7.
Vgl. Spath 2004, p. 99-100.
109.
Bij natrekking leidt het toevoegen van de ene zaak aan een andere zaak tot het 'ontstaan' van één zaak. Andersom is het echter ook mogelijk dat het wegnemen van een deel van een roerende zaak leidt tot het ontstaan van twee zaken.1 Hierbij bestaan er twee varianten, vergelijkbaar met de beide onderdelen van art. 5:14 BW. Enerzijds is denkbaar dat een van de twee zaken na afscheiding te vereenzelvigen is met de oorspronkelijke zaak. In dat geval is sprake van afscheiding van een bestanddeel. Er ontstaat slechts één nieuwe zaak en de hoofdzaak en de bijbehorende eigendom blijven daarnaast voortbestaan. Anderzijds is denkbaar dat de oorspronkelijke zaak tenietgaat en er twee of meer nieuwe zaken ontstaan.2Ter onderscheiding van het eerste geval wordt dit getypeerd als splitsing.3
In beide gevallen ontstaat minimaal één extra zelfstandige zaak en moet hiervoor een eigenaar worden gevonden.4 De Nederlandse wet biedt geen uitdrukkelijke oplossing voor dergelijke gevallen. Niet alleen is onduidelijk wie eigenaar wordt, maar tevens is theoretisch betwistbaar of van een nieuw recht sprake is, met name in gevallen waarin een bestanddeel in het verleden reeds een zelfstandige zaak is geweest. Het eigendomsrecht van het afgescheiden bestanddeel kan in dat geval op twee manieren worden verklaard. Allereerst kan worden verdedigd dat natrekking ertoe leidt dat het oorspronkelijke eigendomsrecht van het bestanddeel definitief eindigt. Losmaken van een bestanddeel moet dan gepaard gaan met de verkrijging van een nieuw eigendomsrecht. De tweede mogelijkheid laat de eigendom van het bestanddeel bij natrekking niet tenietgaan. Natrekking leidt dan tot een soort comateus eigendomsrecht, dat opleeft op het moment dat het bestanddeel weer zelfstandig wordt. De bezitter die zijn wiel aan een auto van een ander bevestigt, waardoor dit bestanddeel wordt van de auto, behoudt in dat geval een eigendomsrecht in winterslaap, dat ontwaakt op het moment dat het wiel wordt gedemonteerd.5 Deze zienswijze werd in het Romeinse recht geaccepteerd en vond haar uitwerking in de actio ad exhibendum, waarmee 'productie van de zaak' gevorderd kon worden.6 Dat wilde zeggen dat het litigieuze object tevoorschijn moest worden gebracht, waardoor men indirect afscheiding van het aangebrachte bestanddeel vorderde.7 Dit recht werd gegrond op een zogenoemd dominium dormiens, dat de voormalige eigenaar van het bestanddeel had behouden.
Het Nederlandse BW kent echter geen slapende eigendomsrechten en dat uitgangspunt moet mijns inziens niet worden gewijzigd.8 Het beginsel dat het (eigendoms)recht onlosmakelijk verbonden is met een object, verzet zich hiertegen. Het maken van een uitzondering op dit punt komt de rechtszekerheid niet ten goede en dit is daarnaast niet noodzakelijk om tot een rechtvaardige oplossing te komen. Ook naar Duits recht gaan de oorspronkelijke (beperkte) rechten definitief teniet door natrekking of vermenging.9 Een oorspronkelijk recht zoals dat bestond vóór natrekking, herleeft niet in de zin dat het tussentijds een sluimerend bestaan heeft gekend. Door natrekking gaat een eigendomsrecht voorgoed teniet. Indien later een bestanddeel wordt losgemaakt en het weer een zelfstandige zaak wordt, wordt hieraan een nieuw eigendomsrecht verbonden. Dit recht is niet afgeleid van een recht van een rechtsvoorganger, waardoor afscheiding en splitsing zijn aan te merken als originaire wijzen van eigendomsverkrijging. De onbeantwoorde vraag is dan uiteraard nog wie eigenaar wordt.
110.
Analyse van de afscheiding of splitsing en de situatie daarvoor levert twee potentiële gerechtigden op: de eigenaar van de oorspronkelijke zaak op grond van diens oorspronkelijke eigendomrecht en degene die de zaak ontmantelt door zijn feitelijke handelingen. Om een keuze te kunnen maken, kan gekeken worden naar de hiervoor genoemde eigendomsverkrijging van de nieuwe zaken in de spiegelbeeldige situaties, namelijk natrekking, vermenging en zaaksvorming. Een andere bron van inspiratie bestaat uit de hierna te bespreken specifieke afscheidingsbepalingen van vruchttrekking en wegneemrechten.
Indien van zaaksvorming geen sprake is, omdat het losmaken niet is aan te merken als relevante vormende arbeid, ligt aansluiting bij de regel van art. 5:14 BW voor de hand. Bij splitsing betekent dit dat, evenals bij het tweede lid van het genoemde artikel, de eigendom van de nieuwe zaken toekomt aan de eigenaar van de oorspronkelijke zaak.10 Indien meer personen mede-eigenaar waren van de oorspronkelijke zaak, geldt dit in dezelfde verhoudingen voor de nieuwe zaken. Afscheiding van bestanddelen is te beschouwen als het omgekeerde van natrekking door een hoofdzaak. Anders dan bij de toepassing van art. 5:14 lid 1 BW, is nu echter wel sprake van een originaire verkrijging. Er ontstaat immers een nieuwe zaak naast de oorspronkelijke zaak die in omvang afneemt. Aansluitend bij de regel van het tweede lid, moet de eigendom van de nieuwe zaak mijns inziens ook hier aan de eigenaar van de oorspronkelijke zaak toekomen. Deze eigendomsverkrijgingen sluiten aan bij de regels die zien op vruchttrekking, waar, behoudens gebruiksrechten van derden, de eigenaar van de vruchtdragende zaak eigenaar wordt van de afgescheiden vruchten.11 Deze invulling sluit niet aan bij de wegneemrechten die hieronder in paragraaf 4.3.9 worden besproken. De regels hiervoor wijzen naar eigendom voor de handelende persoon, maar de achtergrond van deze bepalingen is dermate afwijkend van 'gewone' gevallen van afscheiding, dat een andere uitkomst mijns inziens systematisch goed te verdedigen is.
Een argument om de eigenaar van de hoofdzaak of de oorspronkelijke zaak eigendom van de nieuwe zaken toe te kennen, kan worden ontleend aan de gelijkluidende regeling in Duitsland. Waar het BW namelijk zwijgt, biedt het Duitse BGB wel een uitdrukkelijke oplossing. § 953 BGB geeft een hoofdregel voor afgescheiden bestanddelen van een zaak. Zij horen toe aan de eigenaar van de zaak, tenzij een bijzondere regel een andere eigenaar aanwijst.12 De wetgever heeft daarbij uitdrukkelijk gekozen voor het zogenoemde 'Substantialprinzip'. Hierbij wordt een zaak zelfstandig als hij wordt afgescheiden en is de eigendom van de hoofdzaak bepalend voor de verkrijging van de nieuwe zaak. Daarmee is het 'Produktionsprinzip', waarbij het zichtbaar worden van de nieuwe zaak bepalend is en de eigendom wordt verkregen door de persoon die hiervoor werk heeft verricht, afgewezen.13 Helaas biedt een verdere vergelijking met de Duitse regeling geen bruikbare nadere antwoorden. Het recht dat na de afscheiding betrekking heeft op de nieuwe zaak, wordt namelijk niet bestempeld als een nieuw recht. Uitgaande van het 'Kontinuitätsprinzip' ontstaat het recht op het afgescheiden deel door deling van het oorspronkelijke recht.14 Dit geldt ook ten aanzien van beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak zagen.15 Deze zienswijze acht ik in het Nederlandse recht niet goed verdedigbaar.
111.
Het verkregen eigendomsrecht door splitsing of afscheiding is dus nieuw en de verkrijging knoopt aan bij de eigendom van de oorspronkelijke roerende zaak. Indien de heersende leer met betrekking tot art. 5:14 BW op dit recht wordt toegepast, komen beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak rustten, niet op de afgescheiden of gesplitste nieuwe zaken te rusten. Aanknoping bij de oorspronkelijke eigendom en de benadering dat de verkregen rechten gebaseerd zijn op de oorspronkelijke rechten, laten echter de mogelijkheid open dat de verkregen nieuwe rechten niet onbezwaard zijn en de ten aanzien van de oorspronkelijke zaak bestaande beperkte rechten van rechtswege tot vergelijkbare rechten op de nieuwe zaken leiden.16 Bij afscheiding vormen dergelijke rechten een aanvulling op het oorspronkelijke recht dat op de overgebleven hoofdzaak rust, terwijl eventuele beperkte rechten bij splitsing een vervanging vormen voor oorspronkelijke beperkte rechten die tenietgaan.