De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.6:6.3.6.6 Subjectieve belangen en een scherpe norm
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.6
6.3.6.6 Subjectieve belangen en een scherpe norm
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373945:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief brengt enige openheid in het voorgestelde afwegingsinstrument. De 130%-richtlijn en de uitzondering van de inefficiënte nakoming zijn objectief vast te stellen, terwijl bij de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief belang toekomt aan de subjectieve belangen van de schuldeiser bij nakoming. Doen deze normatieve aspecten in het afwegingsinstrument de poging teniet om tot een scherpe zedelijkheidsnorm te komen ter beperking van het recht op nakoming?
Dat is mijns inziens niet het geval. De 130%-richtlijn met de twee uitzonderingen is aanmerkelijk scherper dan de geldende normen die uitdrukking geven aan de relatieve onmogelijkheid van nakoming. Alleen indien de kosten van nakoming hoger zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang én een redelijk alternatief ontbreekt, kan discussie ontstaan over de vraag hoeveel nakomingskosten in redelijkheid van de schuldenaar kunnen worden gevergd. Het is dus slechts een beperkte categorie van gevallen waarvoor een scherpe norm moeilijk te formuleren is.
De 130%-richtlijn en de uitzonderingscategorieën geven meer dan de bestaande open normen reliëf aan de belangenafweging of nakoming relatief onmogelijk is. Gezien de veelheid van belangen en relevante omstandigheid die op dit terrein kunnen spelen, is het niet mogelijk om de door de redelijkheid ingegeven grens van het recht op nakoming volledig in scherpe normen te vatten 1 Een werkbare grens van het recht op nakoming kan weliswaar aanmerkelijk scherper worden geformuleerd dan de geldende normen, maar kan niet volledig van normatieve aspecten worden ontdaan. De scherpe hoofdregel van de 130%-richtlijn en de uitzonderingscategorieën van de inefficiënte nakoming en het ontbreken van een redelijk alternatief vormen een afgewogen instrument ter bepaling van de zedelijkheidsgrens van nakoming. Het afwegingsmechanisme verschaft meer duidelijkheid dan de bestaande normen, maar is tevens voldoende flexibel om in het individuele geval rechtvaardige uitkomsten te bereiken.2