Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.4
6.3.6.4 De beperkingen van het schadevergoedingsrecht
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377492:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jones & Goodhart 1996, p. 31 en p. 146-147 schrijven dat Engelse rechters alleen bij onmogelijkheid de schade vast te stellen een veroordeling tot nakoming geven, maar zij geven toe dat de grens tussen moeilijkheid en onmogelijkheid vloeiend is, zo ook Mak 2006, p. 114-115.
Treitel 2004a, nr. 27-008, p. 1525-1526; en Spry 2001, p. 68.
Spry 2001, p. 66.
Beswick v Beswick [1967] 2 All ER HL 1197.
Een tweede reden voor toewijzing van de vordering tot nakoming van de weduwe was dat een veroordeling tot schadevergoeding in het Engelse recht slechts strekt ter vergoeding van de in het verleden geleden schade. De weduwe zou, als de gedaagde weigerde na te komen, steeds opnieuw naar de rechter moeten stappen voor de opeisbaar geworden termijnen. In dat geval kan alleen met een veroordeling tot nakoming een rechtvaardig resultaat worden bereikt, omdat daarmee de schuldenaar ook wordt aangespoord zijn toekomstige verplichtingen uit te voeren. Beswick v Beswick [1967] 2 All ER HL 1197, op p. 1218: 'The [plaintiff] can sue from time to time for damages at common law on failure to pay each instaliment of the annuity (...) When the money payment is not, however, made once and for all but in the nature of an annuity there is an even greater need for equity to come to the assistance of the common law. It is to do justice to enforce the tree contract that the par-tics have made and to prevent the trouble and expense of a multiplicity of actions.' Dit argument heeft volgens Sharpe thans echter aan kracht verloren, omdat met een bedrag aan schadevergoeding een nieuwe lijfrentepolis kan worden aangeschaft, zie Sharpe 1992, nr. 7.330.
Bijv. BR 8 februari 2008, RvdW 2008, 210.
Zo ook Helm 2005, p. 831; en Bamberger & Roth/Grüneberg 2003, § 275, nr. 40. Anders BT-Drucks 14/6040, p.130; Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 31; Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 81; Maier-Reimer 2003, p. 293; Krausch 2004, p. 151-152; en Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 78.
Voor de beoordeling van de compenserende kracht van schadevergoeding als alternatief voor nakoming gaat het er om of de schuldeiser met een veroordeling tot schadevergoeding in een vergelijkbare positie komt te verkeren als waartoe nakoming zou hebben geleid. Indien dat niet het geval is, dient de schuldeiser een beroep van de schuldenaar op de 130%-richtlijn te kunnen pareren met een beroep op de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief. Indien van de omvang van de schade geen reële schatting kan worden gemaakt,1 of als de gedaagde onvoldoende verhaal biedt, is schadevergoeding geen redelijk alternatief voor nakoming.2 Spry schrijft:3
In all cases involving the calculation of damages greater or lesser difficulties are encountered, and account has been taken of such considerations as any opportunity that may have artsen for the plaintiff to crystallise his loss by the purchase of other good. Hence the adequacy or inadequacy of damages must be considered from a practical and not a theoretical point of view. Damages must put the plaintiff in the same position in all material respects.
Voorts is schadevergoeding geen toereikend alternatief als bepaalde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Naar Engels recht is schadevergoeding geen adequate remedie, indien de schuldeiser slechts recht heeft op een symbolisch bedrag. Een voorbeeld is het standaardarrest Beswick v Beswick.4 Peter Beswick, een kolenhandelaar, maakte de afspraak met zijn neef dat de neef zijn zaak zou overnemen. Daartoe stelden zij een contract op waarbij de neef zich verbond een vergoeding aan Peter te betalen voor zijn inspanningen als adviseur en, na de dood van Peter, diens vrouw wekelijks £ 5 te betalen. De neef hield zich aan de overeenkomst tot het overlijden van de kolenhandelaar waarna hij stopte met de betalingen aan de weduwe. De weduwe vorderde als rechtsopvolger van haar man, niet op persoonlijke titel, onder meer nakoming van de toekomstige termijnen naast schadevergoeding voor de onbetaald gebleven termijnen. Probleem was dat de contractsbreuk geen schade had toegebracht aan de boedel. De neef betaalde immers niet aan de boedel, maar aan de weduwe. Schade is naar Engels recht een vereiste voor een recht op een substantiële schadevergoeding. Volgens de Engelse schadebegrotingsregels kon daarom aan de weduwe alleen een symbolisch bedrag aan schadevergoeding worden uitgekeerd dat in geen verhouding stond tot haar werkelijke schade. Het House of Lords oordeelde dat het in dit geval onacceptabel was de weduwe de remedie van nakoming te ontzeggen, omdat schadevergoeding het nadeel van de weduwe onvoldoende zou compenseren.5
Indien de schuldeiser geen recht op schadevergoeding heeft, omdat aan de daartoe geldende vereisten niet is voldaan — er is bijvoorbeeld geen schade,6 of het verzuim, hoewel vereist, is niet ingetreden — is dat een zwaarwegende indicatie dat schadevergoeding geen redelijk alternatief is voor nakoming.7 Het ontbreken van een alternatief is immers het sterkste bewijs voor de ontoereikendheid daarvan.