Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.2.7.2
7.2.7.2 OK-rechtspraak vóór HR-Landis
1
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85893:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze paragraaf is, anders dan de volgende, bewust niet opgesplitst in ontvankelijkheid en niet-ontvankelijkheid, en wel om de volgende reden. In zowel hof Amsterdam (OK) 2 november 2000, JOR 2001/6, r.o. 3.4 (Cohere) als in hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.9 (Janson) werd er mede verzocht om een onderzoek bij een 31%-vennootschap respectievelijk een 60%-vennootschap. Weliswaar trof in de eerstbedoelde beschikking naar het oordeel van de Ondernemingskamer een op die vennootschap gericht verweer, houdende dat bepaalde verzoekers in zoverre niet in hun verzoek konden worden ontvangen omdat zij niet voldeden aan hetgeen art. 2:346 BW daartoe eist, op zichzelf doel, maar zij oordeelde daarna enkel dat er derhalve geen onderzoek zou worden bevolen naar het beleid en de gang van zaken van die 31%-vennootschap. Ook in het dictum werden die verzoekers niet niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die achtergrond ligt het mijns inziens voor de hand dat dit deel van het verzoek werd afgewezen (‘Wijst af het anders of meer verzochte’). In de laatstbedoelde beschikking was de uitkomst hetzelfde. Ook daarin overwoog de Ondernemingskamer enkel dat het verzoek niet voor toewijzing vatbaar was voor zover het zag op de 60%-vennootschap. Een niet-ontvankelijkheidsverklaring dienaangaande sprak zij niet uit, niet in het lichaam van de beschikking, noch in het dictum. Nu in beide beschikkingen, op de hier bedoelde punten, sprake was van een afwijzing en niet van niet-ontvankelijkheid, en vóór het geven van ’s Hogen Raads Landis-beschikking geen beschikkingen zijn gegeven waarin de Ondernemingskamer een verzoeker (kennelijk) in het licht van het bepaalde art. 2:346 BW in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaarde, splits ik de paragraaf niet in bovenbedoelde zin op.
Hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh,Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.4-4.7 (Bot Bouw).
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer, AA 1990, p. 865-870, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Ogem).
Aldus ook Geerts in zijn noot, onder 2, bij hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000,JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw); Geerts 2004, op. cit., p. 125-126. Vide ook de noot, onder 3, van Van den Ingh bij de voormelde beschikking.
Vide Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 8 (MvT). Evenzo Geerts als in voetnoot 473 supra aangehaald. Vide ook Van den Ingh daarin.
Zo begrijp ik ook Geerts in voetnoot 473 supra. Ook kunnen bij hen desverzocht onmiddellijke voorzieningen worden getroffen alsmede kan in een eventuele tweede fase de Ondernemingskamer verzocht worden bij hen wanbeleid vast te stellen en in aansluiting daarop desverzocht een of meer voorzieningen treffen.
Volgens Van den Ingh kon de verruiming worden gezien als een vorm van ‘vereenzelviging’, die er zijns inziens op neerkwam dat voor de toepassing van een of meer enquêterechtelijke bepalingen de holding en haar dochter(maatschappij) als één rechtssubject werden gezien, zodat een aandeelhouder van eerstgenoemde tevens als aandeelhouder van laatstgenoemde werd aangemerkt; Vide zijn noot, onder 3, bij hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw).
Vide ook Geerts’ noot, onder 2 (i.f.), bij hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw).
Hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.1, 3.3-3.4 en 3.8 (Janson).
Hof Amsterdam (OK) 31 december 2002, ARO 2003/9, r.o. 3.3 (Kruisheer Elffers).
Saillant detail in de Janson-beschikking was dat de Ondernemingskamer haar beschikking begon met in r.o. 3.1 te overwegen dat uit hoofde van hetgeen de verzoekster had gesteld, en door Holding niet of onvoldoende was betwist, het genoegzaam vaststond dat Holding met haar 100%-(klein-) dochtervennootschappen een ‘economische en organisatorsiche eenheid’ vormde, dit onder leiding van A.J. Janson en M.M. Janson, in welk licht zij later, in r.o. 3.8, sprak van ‘onder gemeenschappelijke leiding’. Het hier bedoelde criterium komt dus niet, althans naar het lijkt, (volledig) uit haar eigen koker.
HR 1 februari 2002, NJ 2002/225, m.nt. van J.M.M. Maeijer (zie NJ 2002/226) en Ondernemingsrecht 2002/16, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 3.3 (De Vries Robbé).
Vide de Kamerstukken in voetnoot 474 supra.
Vide ook Geerts 2004, op. cit., p. 126 (alsmede voetnoot 285).
Hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60, r.o. 3.4-3.5 (Callas).
Vide hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.8 (Janson).
Hof Amsterdam (OK) 4 januari 2005, ARO 2005/5, r.o. 3.1 (Bouwburo).
Hof Amsterdam (OK) 4 januari 2005, ARO 2005/5, r.o. 2.4 (Bouwburo).
Hof Amsterdam (OK) 2 november 2000, JOR 2001/6, r.o. 3.1-3.2 en 3.4 (Cohere).
Hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/192, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 2.3, 3.4 en 3.9 (Janson).
Met de ‘andere belanghebbende’ bedoel ik de verweerster, i.e. de vennootschap waartegen de procedure zich richt, en met ‘belanghebbende’ bedoel ik in dit verband de aandeelhouder(s).
Vide ook de noot, onder 6, van Josephus Jitta bij de Janson-beschikking en Geerts 2004, op. cit., p. 127.
De Bot Bouw-beschikking2 is, zoals gezegd, de eerste beschikking waarin de Ondernemingskamer een van aandeelhouderszijde uitgelokte enquête bij (mede) een aantal onderliggende vennootschappen heeft toegewezen. De deur daartoe werd door haar echter slechts op een kier gezet door te overwegen dat, voor zover hier van belang, de enkele omstandigheid dat de verzoekers slechts aandeelhouders van een gerekestreerde (houdster)vennootschap waren en niet ook van de dochtervennootschap(pen) ‘niet zonder meer althans niet in alle gevallen’ tot de slotsom leidt dat zij niet-ontvankelijk zouden moeten zijn in een verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van laatstgenoemde(n). Hierop liet zij volgen, verder dan dat kwam zij niet, dat het zich immers zeer wel kan voordoen dat, kort gezegd, de doeleinden en de daarmee verband houdende reikwijdte van het enquêterecht, zoals die mede in ’s Hogen Raads Ogem-beschikking3 zijn geformuleerd, slechts volledig tot hun recht kunnen komen indien het te bevelen onderzoek zich mede uitstrekt tot die dochtervennootschap(pen). De Ondernemingskamer vervolgde met te overwegen, voor zover hier van belang, dat het niet wel mogelijk was een juist beeld van het beleid en de gang van zaken van de houdstervennootschap te verkrijgen als niet tevens het beleid en de gang van zaken van de geaffilieerde vennootschappen in het onderzoek werden betrokken. Zij achtte dan ook mede een onderzoek bij de onderliggende vennootschappen gerechtvaardigd en noodzakelijk, waarin besloten ligt dat het op niet-ontvankelijkheid gerichte verweer werd verworpen.
De Ondernemingskamer lijkt te suggereren dat het onderzoek bij hen ertoe strekte een juist beeld te verkrijgen van de bovenliggende vennootschap.4 Daarvoor was – en is – echter art. 2:351, tweede lid, BW nu juist in het leven geroepen.5 Met het geven van een onderzoeksbevel worden alle in het dictum genoemde vennootschappen zelfstandig voorwerp van onderzoek,6 waarmee ik bedoel dat naar hun eigen beleid en gang van zaken onderzoek wordt gedaan, bij hen (onmiddellijke) voorzieningen zouden kunnen worden getroffen en wanbeleid zou kunnen worden vastgesteld. Hoe zich dit een en ander verhoudt tot het bepaalde in art. 2:346, aanhef en onderdeel b, (oud) BW, maakte de Ondernemingskamer een uitzondering daarop of stelde zij de verzoekers daaraan gelijk, blijkt niet uit de beschikking.7
Van (enige) terughoudendheid8 bij het laten ontvangen van verzoekers in hun verzoeken voor zover die betrekking hebben op een of meer onderliggende vennootschappen, blijkt weinig meer in nadien gegeven beschikkingen. Zo overwoog de Ondernemingskamer in haar Janson-beschikking,9 voor zover hier van belang en kort gezegd, dat doel en strekking van het enquêterecht, in het bijzonder als verwoord in de hogergenoemde Ogem-beschikking, meebrengen dat het verzoek om een onderzoek niet slechts toewijsbaar was ten aanzien van A.J. Janson Holding B.V., maar ook ten aanzien van haar 100%-(klein)dochtermaatschappijen – en dan komt het – ‘met wie zij – als economische en organisatorische eenheid en, nu het bestuur telkens, direct dan wel indirect via Holding, in handen is van A. Janson en M.M. Janson, onder gemeenschappelijke leiding – het Janson-concern vormt’.
Was dit nog toegesneden op (de concrete feiten van) de voorliggende zaak, in haar beschikking inzake Kruisheer Elffers10 overwoog zij dat het betoog houdende, kort gezegd, dat het verzoek voor zover gericht op een tweetal volle dochtermaatschappijen van de bovenliggende vennootschap, waarvan de verzoekster aandeelhouder was, niet voor toewijzing in aanmerking kon komen in verband met het bepaalde in art. 2:346 BW iuncto art. 2:345 BW, ‘in zijn algemeenheid’ niet als juist kon worden aanvaard om vervolgens – in algemene bewoordingen – te overwegen, onder verwijzing naar haar Janson-beschikking (Vide supra), dat doel en strekking van het enquêterecht meebrengen dat, voor zover hier van belang en kort gezegd, het enquêteverzoek niet slechts voor inwilliging vatbaar is, als daartoe overigens aanleiding bestaat, jegens ‘een’ holdingvennootschap, maar ‘in beginsel’ ook ten aanzien van ‘een’ ‘100%’ dochtervennootschap, waaraan, gelijk hiervoor, de Ondernemingskamer toevoegde ‘met wie zij – zoals in het onderhavige geval – een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormt’.
Het aan te leggen criterium in deze twee hierboven besproken beschikkingen was, naar de Ondernemingskamer lijkt te suggereren, of de (klein)dochtermaatschappij(en) tezamen met haar (hun) moedermaatschappij een ‘economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding’ vormde.11 Hoe in het licht van ’s Hogen Raads – vóór die beschikkingen gegeven – De Vries Robbé- beschikking12 ’s Ondernemingskamers hier bedoelde overwegingen moeten worden verstaan, is onduidelijk. Overigens valt op dat de Bot Bouw-overweging die de toelichting bij het bepaalde in art. 2:351, tweede lid, BW ademde (Vide ook supra),13 niet (meer) terugkeerde.14
Het bovengenoemde criterium werd – in het kader van een art. 2:346 BW- bevoegdheidsverweer – in de Callas-beschikking herhaald.15 Weliswaar sprak de Ondernemingskamer daarin niet mede van onder ‘gemeenschappelijke leiding’, maar dat ligt erin besloten. Immers, in haar Janson-beschikking overwoog zij, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat nu het bestuur telkens (in)direct via de houdstermaatschappij in handen was van een tweetal personen, er sprake was van gemeenschappelijke leiding.16 Kijken wij naar de onderhavige beschikking, dan blijkt dat de vorenbedoelde eenheid onder leiding stond van eveneens telkens dezelfde (rechts-) personen. Hieruit volgt dat ook te dezen sprake was van een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding. Interessant verschil ten opzichte van de Janson-beschikking en die inzake Kruisheer Elffers is echter dat in de voorliggende beschikking de Ondernemingskamer ook in haar beoordeling betrok dat de (bedrijfs)activiteiten van de groep gerekestreerde vennootschappen niet plaatsvonden in de twee moedermaatschappijen, maar louter in hun (gezamenlijke) dochtermaatschappij en de daaronder hangende, maar niet in de enquêteprocedure betrokken, volle dochtermaatschappij van haar. Voorts verwees zij in dezen niet naar het doel en de strekking van het enquêterecht en evenmin naar de in dat verband meergenoemde Ogem-beschikking.
Een ietwat andere benadering koos de Ondernemingskamer in haar beschikking inzake Bouwburo.17 Weliswaar overwoog zij, wederom, dat – naar door de verzoe- ker was gesteld – er in casu sprake was van een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding, maar dat was thans slechts een schakel in haar redenering, en niet het pièce de résistance; dat laatste was namelijk ditmaal, zo mondde die – op onderbouwing van de verwerping van het verweer van de onderliggende vennootschap, houdende dat de verzoeker jegens haar niet in zijn verzoek kon worden ontvangen vanwege het slechts zijn van aandeelhouder van de bovenliggende vennootschap, gerichte – redenering in uit, dat in de vorenbedoelde omstandigheden (de ondernemingen van) de verweersters zodanig ‘onlosmakelijk verweven’ waren dat in het licht van, de vaker door haar genoemde, doel en strekking van het enquêterecht de verzoeker mede in zijn verzoek ter zake van de volle dochtermaatschappij, van de vennootschap waarvan hij aandeelhouder was, kon worden ontvangen.
De enquêtegerechtigdheid met betrekking tot een onderliggende vennootschap werd in dezen dus, zo begrijp ik, in de sleutel geplaatst van het (nieuwe) criterium ‘onlosmakelijke verwevenheid’. Vermeldenswaardig is, overigens, dat de Ondernemingskamer inzicht gaf in waarom er van een eenheid als hiervoor bedoeld sprake was: (i) de bestuurstaak van het bestuur van de bovenliggende vennootschap strekte zich mede uit tot de onderneming van de onderliggende vennootschap en (ii) het bestuur van beide vennootschappen vormde materieel een – mijn woorden: volledige18 – personele unie. Sinds haar beschikking inzake Janson, hoewel zij daarin niet sprak van een (volledige) ‘personele unie’, ligt zulks daar wel in besloten, weten wij al dat het laatstbedoelde het element ‘onder gemeenschappelijke leiding’ vervult (Vide supra).
Separaat behandel ik de Cohere-beschikking19 en (een nog niet besproken onderdeel uit) de Janson-beschikking,20 welke met elkaar gemeen hebben – en dat is het belangwekkende eraan – dat in beide het enquêteverzoek niet voor toewijzing vatbaar was voor zover het zag op een niet-volle onderliggende vennootschap. In de eerstgenoemde beschikking had Archet c.s. verzocht om, voor zover hier van belang en kort gezegd, een onderzoek bij Cohere, Sogyo en bij Global Rangers. Ten aanzien van laatstgenoemde – een 31%-vennootschap van Cohere – werd de ontvankelijkheid bestreden, omdat Archet c.s. niet voldeed aan het bepaalde in art. 2:346 BW. De Ondernemingskamer ging daarin mee. Een onderzoek werd daarom niet bevolen bij Global Rangers. Van niet-ontvankelijkheid sprak de Ondernemingskamer niet. Kennelijk werd het verzoek in zoverre afgewezen. Het noemenswaardige aan deze beschikking is dat Archet c.s. ook niet voldeed aan het bepaalde in art. 2:346 BW ten aanzien van – Coheres 100%-vennootschap – Sogyo, bij wie wél een onderzoek werd bevolen. De ontvankelijkheid op dat punt werd echter níét (mede) bestreden. Men zou uit dit een en ander kunnen afleiden dat de Ondernemingskamer zich in dezen lijdzaam opstelde: geen ambtshalve-toetsing van de enquêtebevoegdheid ter zake van Soygo; het ligt op de weg van de verwerende partij om de ontvankelijkheid te bestrijden, waarzonder van de enquêtebevoegdheid te dier zake zal worden uitgegaan. Een andere, niet uit te sluiten, mogelijkheid is dat de Ondernemingskamer zich wél eigenstandig over die bevoegdheid heeft gebogen en, haar vóór de onderhavige beschikking gegeven Bot Bouw-beschikking (Vide supra) indachtig, waarin eveneens sprake was van een onderzoek bij 100%- vennootschappen, van oordeel was dat Archet c.s. daarover beschikte, maar zij, nu de hier bedoelde enquêtebevoegdheid niet werd bestreden en de bevoegdheidsbeoordeling positief uitviel, het niet nodig vond om dat met zoveel woorden in haar beschikking tot uitdrukking te brengen.
Ten aanzien van het enquêteverzoek in de Janson-beschikking overwoog de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat het niet toewijsbaar was voor zover het betrekking had op Korteweg Staal B.V., nu (i) de holding, waarvan de verzoekster certificaathouder was, in haar geplaatste kapitaal ‘slechts’, op indirecte wijze, een belang van 60% had én (ii) een onderzoek de positie van de andere aandeelhouder(s) van die deelneming – welke aandeelhouder(s) in de voorliggende procedure geen partij waren en niet geacht konden worden door de holding te worden vertegenwoordigd – zou raken. Niet geheel duidelijk is of de Ondernemingskamer dit naar aanleiding van de ‘meer formele’ opgeworpen verweren als bedoeld in r.o. 3.4 overwoog of dat zij zulks ambtshalve deed. Hoe dit ook zij, het verzoek kwam op het hier bedoelde onderdeel niet voor toewijzing in aanmerking. Kennelijk moeten wij dit, bij gebreke van een niet-ontvankelijkheidsverklaring, verstaan als een afwijzing. De redengeving daartoe (Vide onder (i) en (ii))) is curieus te noemen, omdat (a) de Ondernemingskamer niet, wat wel in de rede had gelegen, naging of de 60%-vennootschap, net als de 100%-vennootschappen, deel uitmaakte van de eerdergenoemde economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding (Vide supra) en (b) zowel de 60%-vennootschap als haar aandeelhouder(s) door de Ondernemingskamer als (andere) belanghebbende(n)21 had(den) kunnen worden opgeroepen om voor belangen op te kunnen (doen) komen.22