De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.2:7.5.2 De relativiteit als beperkend instrument of als fundering van aansprakelijkheid?
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.2
7.5.2 De relativiteit als beperkend instrument of als fundering van aansprakelijkheid?
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284662:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 632 (TM) en p. 638 (MvA II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
507. In §7.2.1 kwam aan de orde dat in de literatuur verschil van inzicht bestaat over de rol die de relativiteit in het aansprakelijkheidsrecht vervult. Volgens sommigen vervult het leerstuk ‘slechts’ een aansprakelijkheid beperkende functie. Anderen menen dat de relativiteit de aansprakelijkheid fundeert. De gehanteerde visie op de relativiteit is van belang voor de invulling en toepassing daarvan en heeft invloed op diens verhouding tot het leerstuk van de redelijke toerekening.
508. Beschouwt men de relativiteitsleer als een aansprakelijkheid funderend leerstuk, dan is logischerwijs voor iedere aansprakelijkheid ook vereist de relativiteit van de geschonden norm positief vast te stellen. Anders ontbreekt een van de fundamenten voor aansprakelijkheid. Hoe dieper zo’n positieve relativiteitsleer ingrijpt in de vraag welke schade vergoed moet worden, hoe minder ruimte er dogmatisch gesproken is voor de redelijke toerekening. We hebben gezien dat in het huidige systeem de relativiteit de redelijke toerekening min of meer opslokt.
509. Ziet men de relativiteit als een aansprakelijkheid beperkend leerstuk, dan kan de aansprakelijkheid mede worden bepaald door de relativiteit, maar hoeft dat niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn. De relativiteit doet dan eerst aan aansprakelijkheid af, indien en voor zover aan de door die leer gestelde voorwaarden is voldaan. In die benadering is ook meer ruimte voor de redelijke toerekeningsleer.
510. Ik neem om de volgende redenen tot uitgangspunt dat de relativiteit slechts een, praktische, aansprakelijkheid beperkende functie heeft.
Ten eerste neemt de wet zelf tot uitgangspunt dat de aansprakelijkheid reeds bestaat zodra aan de eisen van art. 6:162 BW is voldaan. De wetgever ziet dus in zoverre geen funderende rol weggelegd voor de in art. 6:163 BW neergelegde relativiteit. Art. 6:163 BW zelf impliceert dat eveneens. Volgens het artikel bestaat geen schadevergoedingsverplichting als de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden door de gelaedeerde. Schuilt in het ‘jegens’-vereiste van art. 6:162 lid 1 BW dan nog een positieve funderende functie? Dat ligt volgens mij niet voor de hand. We zagen in §7.2.1 immers dat ook de wetgever zelf er blijkens de parlementaire geschiedenis van uitging dat de relativiteitsvraag steeds een negatieve test is: wel aansprakelijkheid indien voldaan is aan de 6:162 BW-eisen, tenzij de relativiteit ontbreekt.1 Daarmee verhoudt zich slecht dat met het ‘jegens’-vereiste een positieve funderende relativiteitstoets is beoogd.
Ten tweede veronderstelt de door de wetgever beoogde negatieve test dat eenzelfde geschonden norm tegen sommige door de normschending veroorzaakte schadevormen wel wil beschermen en tegen andere niet. Er kan dus in de systematiek van art. 6:162 BW en art. 6:163 BW wel aansprakelijkheid in enge zin bestaan, terwijl de relativiteit slechts aan de vergoeding van een deel van de schade in de weg staat. De relativiteit beperkt dan wel, maar fundeert niet. Men zou nog kunnen tegenwerpen dat de relativiteitsleer in zo’n geval de aansprakelijkheid voor de schade fundeert die de norm wil beschermen en niet voor de schade waartegen de norm niet wil beschermen. Dat acht ik niet overtuigend. Men zegt dan immers in essentie dat wel aansprakelijkheid bestaat, maar niet voor alle schade. De relativiteit heeft dan dus een beperkende rol.