Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.4.6.2
9.4.6.2 Verordening (EEG) nr. 1224/80
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258311:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor Verordening (EEG) nr. 1224/80 was het douanewaardesysteem binnen de EU ook reeds gebaseerd op een door de WDO vastgesteld douanewaardesysteem (Verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen, OJ L 148 van 28.06.1968, p. 6-12). De douanewaarde onder dit systeem werd echter vastgesteld op basis van een theoretische waarde conceptie in plaats van een positieve waarde conceptie. Zie over de overgang van de wijze waarop de douanewaarde werd vastgesteld onderdelen 2.3.3.2, 3.2.3 en 3.3.3.2 alsmede J. de Kater, Een nieuwe definitie van de douanewaarde van goederen, MBB 1980 (9), p. 199-210.
Verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen, PB L 154 van 21.6.1980, p. 14–15.
Vgl. J. de Kater, Een nieuwe definitie van de douanewaarde van goederen, MBB 1980 (9).
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237, r.o. 13.
Een en ander kan worden afgeleid uit het arrest Canadian International Trade Tribunal 4 november 1994, nr. AP-93-322 (Harbour Sales (Windsor) Limited v. The Deputy Minister of National Revenue). In deze uitspraak oordeelde het Canadian International Trade Tribunal dat artikel 48, lid 1, van de Canadian Customs Act – een wetsartikel gelijk aan artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80 – ondubbelzinnig was geformuleerd en derhalve uitgelegd moest worden overeenkomstig zijn gewone betekenis. Op basis daarvan lijkt het Canadian International Trade Tribunal te overwegen dat artikel 48, lid 1, het toestaat om de transactiewaarde te baseren op een eerdere of eerste verkoop. Zie onderdeel 9.5.3.2.
HvJ EU 10 juli 2019, nr. C-249/18 (CEVA Freight Holland BV), ECLI:EU:C:2019/587, r.o. 24-40.
HvJ EU 10 juli 2019, nr. C-249/18 (CEVA Freight Holland BV), ECLI:EU:C:2019/587, r.o. 28.
Verordening (EEG) nr. 1224/80 trad in werking op 1 juli 1980 en was de eerste Europeesrechtelijke verordening gebaseerd op de CVA.1 Artikel 1 CVA is in soortgelijke bewoordingen geïmplementeerd in artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80. Voornoemd artikel wordt nader geduid in artikel 6 Verordening (EEG) nr. 1495/802 waarin is vastgelegd dat:
“Voor de toepassing van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1224/80, is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, ten invoer tot het vrije verkeer in de gemeenschap worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de gemeenschap aan te merken. Een dergelijke aanduiding bestaat ook in de gevallen van opeenvolgende verkopen voor de bepaling van de douanewaarde, waarbij iedere prijs die deze verkopen tot resultaat hebben, onder voorbehoud van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1496/80, als basis voor de douanewaarde kan worden genomen. [...]”
Uit deze uitvoeringsbepaling volgt in mijn optiek dat de importeur bij opeenvolgende verkopen die elk afzonderlijk kwalificeren als verkoop voor uitvoer, de keuze heeft welke prijs hij als basis neemt voor het bepalen van de douanewaarde.3 Hij kan, met andere woorden, de douanewaarde vaststellen overeenkomstig een eerste of eerdere verkoop (first-sale principe). Een en ander wordt ook bevestigd in het arrest Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster.4 In deze zaak kocht NV Ferdi, gevestigd in België, meststoffen aan in derde landen. Voor binnenkomst van de goederen verkocht zij de meststoffen door aan het in Duitsland gevestigde Unifert Handels GmbH dat tot hetzelfde concern behoort als NV Ferdi. Op de vraag of een importeur bij opeenvolgende verkopen mag kiezen tussen de prijzen van elk van de transacties ter bepaling van de douanewaarde, antwoordde het Hof van Justitie dat:5
“Uit deze bepaling volgt, dat voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van de basisverordening niet enkel gebruik kan worden gemaakt van de prijs volgens een onmiddellijk vóór de uitvoer uit een derde land gesloten verkoopovereenkomst, maar ook van de prijs volgens een verkoopovereenkomst die na de uitvoer, doch vóór de inklaring in de Gemeenschap is gesloten, en zulks ongeacht de plaats van vestiging van de partijen bij de verkoopovereenkomst.”
Met de zinsnede “[...] uit deze bepaling [...]” wordt gedoeld op artikel 6 Verordening (EEG) nr. 1495/80 en dus lijkt dat het belangrijkste argument van het Hof van Justitie om het first-sale principe te rechtvaardigen. Echter, naar mijn mening zou de zienswijze van het Hof van Justitie reeds kunnen volgen uit de afzonderlijke uitlegging van artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80. Artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1224/80 is namelijk voldoende duidelijk en ondubbelzinnig geformuleerd.6 Hieruit volgt namelijk dat op het moment van de verkoop moet vaststaan dat de goederen die uit een derde staat afkomstig zijn, naar het douanegebied van de Europese Unie zullen worden gebracht. Niet wordt aangegeven dat bij opeenvolgende transacties, die elk als ‘verkoop voor uitvoer’ kwalificeren, een van de(ze) transacties voorrang heeft boven de ander. Uit dit wetsartikel afzonderlijk beschouwd zou derhalve reeds moeten volgen dat de aangever de vrijheid heeft om een prijs te kiezen indien opeenvolgende transacties elk afzonderlijk kwalificeren als verkoop voor uitvoer. Artikel 6 Verordening (EEG) nr. 1495/80 zou derhalve alleen als onderschikkend argument moeten dienen.
Ik merk ten overvloede op dat wanneer een aangever bij opeenvolgende verkopen een keuze heeft gemaakt in zijn aangifte voor één van de verkopen, hij overeenkomstig artikel 8, lid 1, van richtlijn 79/695/EEG van de Raad die aangifte niet meer kan corrigeren nadat de goederen voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven. Dit lijkt met de inwerkingtreding van het CDW genuanceerder te liggen zo blijkt uit het CEVA Freight Holland BV-arrest.7 Het Hof van Justitie overweegt dat:8
“Hoewel het vóór inwerkingtreding van het douanewetboek op 1 januari 1994 verboden was voor aangevers om hun aangifte na vrijgave van de goederen te corrigeren, is echter bij artikel 78 van dat wetboek met ingang van dat tijdstip uitdrukkelijk de mogelijkheid ingevoerd dat de douaneautoriteiten een douaneaangifte op een na de vrijgave van de goederen ingediend verzoek van de aangever herzien (arrest van 20 oktober 2005, Overland Footwear, C‑468/03, EU:C:2005:624, punten 61 en 62).”
Een herzieningsverzoek wordt echter alleen ingewilligd zover de keuze valt onder het begrip ‘onjuiste of onvolledige gegevens’ zoals vastgelegd in artikel 78, lid 3, CDW. Dit was in het arrest CEVA Freight Holland BV het geval. De aangegeven (hogere) transactiewaarde was weliswaar juist, doch had CEVA Freight Holland BV het toepasselijke recht onjuist uitgelegd nu de ingevoerde goederen verkeerd in het tarief waren ingedeeld. Voor zover een importeur onder het DWU ook vrijelijk zou mogen kiezen tussen transactiewaarde, komt de vraag op in hoeverre een importeur dan op zijn keuze voor een van de verkopen kan terugkomen. De reikwijdte van artikel 173, lid 3, DWU lijkt in dat kader anders dan de reikwijdte van artikel 78, lid 3, DWU. Voor toepassing van artikel 173, lid 3, DWU is het van belang of de wijziging bedoeld is om de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder een douaneregeling te laten nakomen. Dat zal in een zaak gelijk aan die het arrest CEVA Freight Holland BV niet het geval zijn. Mogelijk biedt dit artikel wel mogelijkheden om verrekenprijsaanpassingen in aanmerking te nemen voor het bepalen van de douanewaarde, zie onderdeel 10.5.4.2.