Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.6.2:3.6.2 Nadruk op de eerste twee Baker-factoren
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.6.2
3.6.2 Nadruk op de eerste twee Baker-factoren
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233632:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3.
Zie U.S. Supreme Court 21 juni 1973, 413 U.S. 1 (Gilligan v. Morgan); U.S. Supreme Court 13 januari 1993, 506 U.S. 224 (Walter Nixon v. United States).
Het Congres heeft deze bevoegdheid gedelegeerd aan de President. Zie 32 U.S.C. § 110.
U.S. Supreme Court 27 juni 2019, 139 S.Ct. 2484 (Rucho v. Common Cause).
Rucho v. Common Cause over political gerrymandering vormt hierop een uitzondering. Zie daarover paragraaf 12.8 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat het Hof slechts in een zeer beperkt aantal zaken de doctrine heeft toegepast, is temeer opvallend in het licht van de Baker-factoren. Hoewel de formulering van deze factoren niet in die richting wijst, blijkt niet iedere factor in de praktijk hetzelfde gewicht te hebben. Het Hof legt duidelijk de nadruk op eerste twee factoren. Anders dan de vier overige factoren, die een meer pragmatisch karakter hebben, zijn deze eerste twee factoren tekstueel van aard. 1Waar de toepassing van de vier overige factoren maakt dat de rechter een inhoudelijk oordeel ‘beter niet’ kan geven, impliceert de toepassing van de eerste twee factoren dat de rechter dat niet ‘mag’ respectievelijk ‘kan’ doen.
De eerste factor is aan de orde indien sprake is van een geschil dat grondwettelijk gezien moet worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen. Zoals in dit hoofdstuk is gebleken, is dit bij de vaststelling van regels over de organisatie en de inzet van de Nationale Garde en bij de impeachment van overheidsfunctionarissen volgens het Hof het geval.2 De Amerikaanse Grondwet draagt de vaststelling van dergelijke regels op aan het Congres, en daarmee aan het Huis van Afgevaardigden en de Senaat gezamenlijk.3 Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid tot impeachment: de Senaat beslist daarover nadat het Huis het initiatief daartoe heeft genomen. Volgens het Hof laten de relevante bepalingen uit de Amerikaanse Grondwet geen ruimte voor vaststelling van regels over de organisatie en de inzet van de Nationale Garde door de rechter en een beoordeling van de wijze waarop het Huis en de Senaat van de bevoegdheid tot impeachment gebruik hebben gemaakt.
De tweede factor is van toepassing wanneer het ontbreekt aan concrete en bruikbare rechtsnormen om het geschil te beslissen. Volgens het Hof is dit het geval bij de impeachment van federale overheidsfunctionarissen. De rechter ‘kan’ daardoor niet nagaan of de Senaat en het Huis op goede gronden hebben besloten om een overheidsfunctionaris uit zijn of haar functie te zetten. Hetzelfde geldt voor geschillen over political gerrymandering: volgens het Hof ontbreekt het aan concrete en bruikbare rechtsnormen om na te gaan wanneer political gerrymandering te ver doorschiet en daarom onrechtmatig moet worden geacht.4
Opvallend is dat de eerste twee Baker-factoren ook bepalend zijn gebleken voor het oordeel in de hiervoor besproken zaken dat van een political question juist geen sprake was. Zoals beschreven, heeft het Hof duidelijk gemaakt dat de doctrine op zichzelf niet in de weg staat aan het uitleggen en toepassen van nationaal en internationaal recht, waaronder de Amerikaanse Grondwet en grondrechten. Daarbij geldt dat er geen grondwettelijke bepaling is die het uitleggen en toepassen van nationaal en internationaal recht, en het beoordelen van de grondwettigheid van wetgeving, aan de andere staatsmachten opdraagt. Integendeel: zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven, heeft het Hof deze bevoegdheid in Marbury v. Madison uitdrukkelijk naar zich toegetrokken. Ook zal het bij het uitleggen en toepassen van wetgeving, en bij een grondwettigheidsbeoordeling, in beginsel niet ontbreken aan concrete en bruikbare rechtsnormen.5 Aan de eerste twee factoren is dan niet voldaan.
Het Hof heeft nimmer op basis van uitsluitend de vier overige Baker-factoren van een inhoudelijke beoordeling afgezien. Juist die factoren lijken echter de meeste ruimte te bieden om te concluderen dat een inhoudelijke beoordeling een ‘inappropriate interference’ van de rechter in het domein van de andere staatsmachten tot gevolg heeft en dat toepassing van de political questiondoctrine daarom in de rede ligt.