Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.6.1:3.6.1 De geringe toepassing van de doctrine
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.6.1
3.6.1 De geringe toepassing van de doctrine
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233601:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragrafen 3.2.4 en 3.3.
U.S. Supreme Court 21 mei 1990, 495 U.S. 385 (United States v. Munoz-Flores), 394: ‘[T]he doctrine is designed to restrain the Judiciary from inappropriate interference in the business of the other branches of Government; the identity of the litigant is immaterial to the presence of these concerns in a particular case.’
Zie paragraaf 3.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor is gebleken, vormt het oordeel van het Hooggerechtshof in Baker v. Carr uit 1962 het vertrekpunt van de moderne toepassing van de political question-doctrine. Daarin is het Hof onder meer ingegaan op de factoren of criteria aan de hand waarvan de rechter moet beoordelen of een political question aanwezig is. Concreet heeft volgens het Hof daartoe zes factoren onderscheiden. Deze factoren worden ook wel de ‘Baker-factoren’ genoemd en zijn bepalend voor het bereik van de doctrine.1
De doctrine is ook in diverse zaken na Baker v. Carr uitdrukkelijk ter sprake gekomen. Deze zaken raken aan uiteenlopende beleidsterreinen en onderwerpen, zoals de organisatie van de Nationale Garde, het afzetten van een federale rechter, political gerrymandering, het buitenlands beleid, de verkiezing en toelating van volksvertegenwoordigers, beslissingen over de aanstelling van ambtenaren, het wetgevingsproces en de rechtspositie van indianen. Uit de in dit hoofdstuk besproken rechtspraak blijkt dat het Hooggerechtshof de doctrine beschouwt als een instrument om een ‘inappropriate interference’ van de rechter in het domein van de andere staatsmachten te voorkomen.2
Toch heeft het Hof de doctrine slechts in een beperkt aantal zaken sinds Baker v. Carr expliciet toegepast. Sterker nog: deze zaken zijn op één hand te tellen. Concreet gaat het dan om de zaken over het vaststellen van regels over de organisatie van de Nationale Garde, de afzetting van een federale rechter en political gerrymandering. In de meeste zaken waarin de doctrine ter sprake is gekomen, was van een political question geen sprake en lag toepassing van de doctrine daarom niet in de rede. De vaak duidelijke politieke dimensie maakte dit op zichzelf niet anders. Dit duidt op een in beginsel zeer gering belang van de doctrine voor de Amerikaanse rechtspraktijk.3