Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.7
7.4.7 Een keuze: kort geding of enquêteprocedure
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299024:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreider: Croiset van Uchelen 2010, p. 255-262; Driessen 2004, p. 449-453; Lok & Kemp 2015, p. 197-209.
Diegene die bevoegd zijn tot het verzoeken van een enquêteprocedure zijn opgenomen in artikel 2:345 lid 2 en 346 BW. Hoewel sprake is van een limitatieve opsomming, blijkt uit de jurisprudentie dat de begrippen aandeelhouder en certificaathouder ruim dienen te worden geïnterpreteerd, waardoor de verschaffer van risicodragend kapitaal die een zelfde economische gerechtigheid heeft als de aandeelhouder of certificaathouder met hen moet worden gelijkgesteld en dus een enquêteverzoek moet kunnen doen (Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 117; HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 m.nt. Maeijer; HR 4 februari 2005, NJ 2005, 127 m.nt. Maeijer; HR 10 september 2010, NJ 2010, 665 m.nt. Van Schilfgaarde; HR 8 april 2011, NJ 2011, 338 m.nt. Van Schilfgaarde). Zie in dit verband recentelijk: HR 29 maart 2013, NJ 2013, 304 m.nt. Van Schilfgaarde (Chinese Workers), waar een van de aandeelhouders in de moedervennootschap van de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft bevoegd werd verklaard (zie over deze uitspraak onder meer: De Kluiver 2013). Dit betekent echter niet dat iedere indirect aandeelhouder bevoegd is (HR 11 april 2014, NJ 2014, 296 m.nt. Van Schilfgaarde (Slotervaartziekenhuis)). Zie hierover ook: Koster 2014.In lid 1 sub e van artikel 2:346 BWis bepaald dat degene wie daartoe bij statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de bevoegdheid is toegekend ook een enquêteverzoek kan doen. Het kwam vóór 1 januari 2013, toen de rechtspersoon zelf nog niet de bevoegdheid had een enquêteverzoek te doen, veelvuldig voor dat de Ondernemingsraad, werknemers, commissarissen of een stichting (beheerd door de commissarissen) op die wijze de bevoegdheid kregen om een enquêteverzoek te doen (zie in dit verband onder meer: HR 1 februari 2002, NJ 2002, 225 m.nt. Maeijer; Hof Amsterdam (OK) 5 oktober 2005, JOR 2005, 296 m.nt. Leijten (Smit Transformatoren); Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2007, ARO 2007, 166; Hof Amsterdam (OK) 31 december 2009, JOR 2010, 60 m.nt. Doorman (Inter Access).
Zie in dit verband ook Eijsbouts 2010, p. 101, die het voorstel doet om ook andere belanghebbenden toegang te geven tot de enquêteprocedure, maar dan indirect door een verzoek te doen bij de advocaatgeneraal van het Hof Amsterdam, die wel bevoegd is tot het instellen van een enquêteprocedure. Ook Schmieman heeft in het verleden gepleit een actievere rol voor de advocaat-generaal in het enquêterecht (Schmieman 2004). Sinds 2002 is er geen enkel enquêteverzoek meer ingediend door de A-G (Buijn & Storm 2013, p. 993).
De Hoge Raad hanteert een ruime interpretatie van het begrip belanghebbende in het kader van verzoekschriftprocedures bij de Ondernemingskamer: ‘Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.’ (HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 (Scheipar)). Als belanghebbende kunnen in ieder geval worden beschouwd de vennootschap zelf, aandeelhouders, certificaathouders, bestuurders, commissarissen, stichting administratiekantoor, de Ondernemingsraad, de Centrale Ondernemingsraad en de vakbonden (Buijn & Storm 2013, p. 994). Ook een voormalig bestuurder (HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 m.nt. Maeijer (Scheipar)) en vereniging en stichtingen in de zin van artikel 3:305a BW (Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2002, JOR 2002, 217 m.nt. Brink (Laurus) en Hof Amsterdam (OK) 16 maart 2011, JOR 2011, 143 m.nt. Verbunt (Ageas)) kunnen worden gekwalificeerd als belanghebbende. Interessant is de vraag of niet ook hier onder omstandigheden een mogelijkheid kan liggen, althans zou moeten liggen, voor organisaties die zich richten op meer algemene (maatschappelijke) belangen om, wanneer de omstandigheden het toelaten, een verweerschrift in te dienen in een enquêteprocedure. Vooralsnog lijkt dit niet het geval te zijn. Zie in dit verband ook: Eijsbouts 2010, p. 101.
HR 30 maart 2007, JOR 2007, 138 m.nt. Josephus Jitta (ATR).
Dit onderscheid is gelegen in de vorm van de procedure. Het kort geding is een dagvaardingsprocedure, terwijl het enquêteverzoek een verzoekschriftprocedure is. Zie in dit verband: Croiset van Uchelen 2010, p. 256 en 258.
Artikel 282 Rv. Zie in dit verband eveneens: Storm 2013.
Croiset van Uchelen 2010, p. 257. Zie in dit verband ook paragraaf 7.4.4. van dit hoofdstuk.
Tjong Tjin Tai overweegt in dit verband: ‘De kortgedingrechter moet recht spreken en mag niet louter ordenend optreden.’ (Tjong Tjin Tai 2013 (Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering), Art. 256, Aant. 3). Vaak zal de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW als zodanig functioneren.
Croiset van Uchelen 2010, p. 257.
Daarnaast staat nog wel cassatie open voor partijen (artikel 2:359 BW).
Driessen 2004, p. 452.
Slagter/Assink 2013, p. 1834.
Olden 2003, p. 554; Veenstra 2013 (Groene Serie Rechtspersonen), Inleiding Titel 8, Aant. 1.3.3.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 363; Van der Korst in zijn annotatie onder Rb. Breda 30 augustus 2010, JOR 2010, 302; Sinninghe Damsté, Smit & Berendsen 2008, p. 92;.
Kamerstukken II 1991/92, 22400, nr. 3, p. 16. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (Rb. Rotterdam 16 januari 2013, JOR 2013, 98 m.nt. Verburg), waarin door de voorzieningenrechter in het dictum werd bepaald dat – kort gezegd – een voorziening werd getroffen voor een bepaalde periode ‘of totdat de Ondernemingskamer in een eventueel te starten enquêteprocedure anders beslist’. Zie in dit verband ook: Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 363; Klein Wassink 2012, p. 125-128; Storm 2014-1, p. 119; Rb. Amsterdam 1 september 1982, KG 1982, 157; Hof Amsterdam 7 november 1996, KG 1997, 3.
Zie in dit verband bijvoorbeeld: Rb. Middelburg 14 april 1998, JOR 2000, 25.
De belanghebbende dient derhalve, met het oog op het verzoeken/vorderen van voorlopige of onmiddellijke voorzieningen – tot op zekere hoogte – een keuze te maken tussen de enquêteprocedure en het kort geding. Bij het maken van de keuze tussen een kort geding en enquêteprocedure speelt een aantal verschillen een rol.1 Hieronder worden deze verschillen kort uiteengezet.
Allereerst is de kring van personen die een enquêteverzoek kan doen beperkt,2 terwijl in beginsel eenieder met een voldoende belang een kort geding kan starten.3 Hoewel de kring van personen die een enquêteprocedure kan verzoeken beperkt is, bestaat er nu het een verzoekschriftprocedure betreft wel de mogelijkheid voor ‘iedere belanghebbende’4 om een verweerschrift in te dienen. Daarbij heeft de belanghebbende bovendien de mogelijkheid om een onmiddellijke voorziening te verzoeken en over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek zijn standpunt kenbaar te maken.5 Ten tweede dient de rechter in kort geding slechts rekening te houden met de belangen van de procespartijen, terwijl de Ondernemingskamer ook rekening zal houden met de belangen van andere belanghebbenden.6 Uit artikel 2:349a lid 2 BW volgt dat bij het treffen van een onmiddellijke voorziening moet worden gekeken naar de belangen van de institutioneel betrokkenen. Ten derde is het voor derden eenvoudiger om te interveniëren in een enquêteprocedure dan in een kort geding. Bij het kort geding moet er een incidentele conclusie worden genomen, hetgeen kan leiden tot vertraging in de procedure, terwijl in de verzoekschriftprocedure slechts een verweerschrift behoeft te worden ingediend.7 Ten vierde heeft de Ondernemingskamer meer mogelijkheden tot het treffen van voorzieningen dan de rechter in kort geding.8 De rechter in kort geding moet een materiële rechtsgrondslag hebben voor het treffen van een voorziening,9 terwijl de Ondernemingskamer daartoe niet beperkt is.10 Ten vijfde is er bij de enquêteprocedure sprake van slechts één feitelijke instantie,11 terwijl in kort geding hoger beroep (en daarna nog cassatie) openstaat. Zijn de feiten bij aanvang van de procedure nog niet geheel duidelijk, dan kan dit een reden zijn om voor het kort geding te kiezen.12
Daarnaast heeft de Ondernemingskamer als voordeel dat zij volledig gespecialiseerd is in het optreden bij ondernemingsrechtelijke geschillen en bovendien schuwt zij het, blijkens het verleden, niet doortastend in te grijpen waar nodig, waarbij zij het belang van de vennootschap consequent centraal stelt.13 Hierin schuilt echter ook een risico. De Ondernemingskamer wordt wel bekritiseerd (maar ook bejubeld) omdat zij veelal de procedure stuurt en weinig oog heeft voor het principe van lijdelijkheid van de rechter, waardoor de verzoeker het risico loopt de grip op zijn zaak te verliezen.14
Hoewel tussen het kort geding en de enquêteprocedure belangrijke verschillen bestaan, staan beide mogelijkheden naast elkaar open voor de belanghebbende die zich wil verzetten tegen een voor hem schadelijke gedraging van een aandeelhouder.15 Daarbij dient de voorzieningenrechter zich blijkens de parlementaire geschiedenis terughoudend op te stellen als ook de Ondernemingskamer geadieerd is of zal worden:
‘Het spreekt vanzelf dat de president in kort geding een terughoudend standpunt moet innemen indien van hem een voorziening wordt gevraagd vóór het enquêteverzoek is ingediend en dat hij, indien een dergelijk verzoek wordt gedaan met het oog op een in te dienen enquêteverzoek, in beginsel de duur van de door hem te treffen voorziening beperkt tijdstip dat de Ondernemingskamer op een verzoek om voorlopige voorzieningen zal hebben beslist. Aldus kunnen tegenstrijdige of slecht met elkaar in overeenstemming te brengen beslissingen worden voorkomen.’16
Dit beperkt het risico dat door verschillende rechters tegenstrijdige voorzieningen worden getroffen. Het komt desalniettemin voor dat de voorzieningenrechter de zaak dermate spoedeisend vindt dat ondanks de aanhangige enquêteprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen.17 Wel is een trend zichtbaar waarbij de mogelijkheid om een onmiddellijke voorziening bij de Ondernemingskamer te verzoeken frequenter wordt gehanteerd dan de mogelijkheid om middels een kort geding een voorlopige voorziening te verzoeken.