Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.7:8.7 Samenvatting en conclusie
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.7
8.7 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362904:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is eerst voor het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht weergegeven op welke wijze een persoon een standpunt kenbaar kan maken. Vervolgens is de eerste stap van het stappenplan onderzocht, namelijk wanneer bij Nederlandse fiscale zaken het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Hierbij is inzichtelijk geworden dat in hoofdlijnen duidelijkheid bestaat wanneer dat het geval is, maar dat ook een grijs gebied bestaat. Er zijn voorgenomen besluiten waarbij het niet zo duidelijk is of het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Daar komt bij dat het ten uitvoer brengen van het Unierecht op slechts een deel van het voorgenomen besluit kan zien. De feiten en omstandigheden die daarvoor relevant zijn, zijn niet altijd zonder contact met de belanghebbende te achterhalen. Het kan daardoor pas later in een procedure duidelijk worden dat het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Als dit later is dan de fase van het voornemen, is de toepassing van het kenbaarmakingsbeginsel in de voorfase niet meer mogelijk. Dit terwijl dan duidelijk is dat het kenbaarmakingsbeginsel wel toegepast had moeten worden. Ten aanzien van beschikkingen aansprakelijkstelling is duidelijk geworden dat ten aanzien van die voorgenomen beschikkingen het kenbaarmakingsbeginsel slechts op een deel van het besluit van toepassing kan zijn. Een gevolg hiervan kan zijn dat op één voorgenomen bezwarend besluit verschillende regimes voor het horen worden toegepast. Mijns inziens is dat niet wenselijk.
Daarna zijn de subjectieve, objectieve en temporele reikwijdte onderzocht van het recht een standpunt kenbaar te maken in het Nederlandse bestuursrecht. Hierbij is zichtbaar geworden dat het kenbaarmakingsbeginsel een veel ruimere toepassing kent, door een ruimer besluitenbegrip dan het Nederlandse bestuursrecht kent. Daar komt bij dat waar het kenbaarmakingsbeginsel het recht een standpunt kenbaar te maken in de voorfase regelt voor alle besluiten de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb een beperktere reikwijdte kennen:
Figuur 25
Bij het onderzoek naar de derde stap van het stappenplan of de belanghebbende een standpunt naar behoren en effectief kenbaar heeft kunnen maken, zijn de vier onderdelen van het kenbaarmakingsbeginsel in het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat het recht op informatie voor de voorfase alleen is geregeld voor zover hierin een motiveringsvereiste is neergelegd. Het recht op (inzage in) de stukken is alleen geregeld voor de bezwaarfase. Hierbij is dit recht gekoppeld aan het hoorgesprek. Als een belastingplichtige niet wil worden gehoord, verspeelt deze belastingplichtige ook nationaal het recht op (inzage in) de stukken. Het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging wordt ingelezen in de artikelen 4:7 tot en met 4:9 van de Awb. Het recht een standpunt kenbaar te maken in de voorfase is in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb neergelegd. Voor vergrijpboeten is een aparte zware procedure die alle vier de onderdelen van het kenbaarmakingsbeginsel omvat. Voor beschikkingen bestuurdersaansprakelijkheid is voor een aantal rechtsgebieden het recht een standpunt kenbaar te maken in de voorfase geregeld. Hierbij is het recht op (inzage in) de stukken niet geregeld.
Het onderzoek laat vervolgens zien dat bij de analyse van de vierde stap van het stappenplan het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht ook beperking kent van het recht te worden gehoord. De individuele beperkingen, zoals neergelegd in de artikelen 4:8 en 4:11 van de Awb zijn, indien aan de voorwaarden van de beperkingen wordt voldaan, aan te merken als gerechtvaardigde beperkingen. De categorale beperking van artikel 4:12, eerste lid, van de Awb voor voorgenomen financiële besluiten is te algemeen en sluit in beginsel alle fiscale besluiten uit. Deze beperking kan daardoor niet worden gezien als een gerechtvaardigde beperking van het kenbaarmakingsbeginsel. Categorale beperkingen zijn onder omstandigheden mogelijk, maar artikel 4:12, eerste lid, van de Awb omvat een te grote hoeveelheid zaken en compenseert ook niet. De beperking van artikel 4:12, eerste lid, van de Awb vertoont weinig tot geen overeenkomsten met de vier categorale beperkingen die wel mogelijk zijn. De beperking van het recht op (inzage in) de stukken, zoals neergelegd in artikel 8:29 van de Awb, is in overeenstemming met de eisen die het kenbaarmakingsbeginsel stelt aan beperking van het recht op (inzage in) de stukken. Bij het geheim houden van stukken door een bestuursorgaan kunnen problemen ontstaan, omdat op het moment dat getoetst wordt of deze geheimhouding gerechtvaardigd is en een eventuele schending wordt geconstateerd, de schending in de meeste gevallen niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
Het onderzoek van de vijfde stap van het stappenplan laat zien dat naast het gevolg van (partiële) vernietiging van het bezwarende besluit lidstaten aan een schending van het kenbaarmakingsbeginsel andere rechtsgevolgen kunnen verbinden dan de vernietiging van een bezwarend besluit. Hierbij kan in bepaalde gevallen worden gedacht aan het terugwijzen naar de bezwaarfase, of aan het toekennen van een schadevergoeding of (integrale) proceskosten.