Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.4:6.3.3.4 Verhouding tot het rechtskarakter
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.4
6.3.3.4 Verhouding tot het rechtskarakter
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS493043:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de verhouding tot het rechtskarakter merk ik, onder verwijzing naar hetgeen ik omtrent het ontstaansmoment heb opgenomen, in eerste instantie op dat wanneer de Belastingdienst bij deelname aan een akkoord genoegen zou nemen met een gedeeltelijke betaling van de btw-schuld (waaronder mogelijk die van art. 29 lid 7 Wet OB 1968) de ondernemer een voordeel kan ervaren. Op de eerder door hem in aftrek gebrachte btw wordt immers slechts deels teruggekomen (daar waar eerder een eis van integrale voldoening gold), zodat de btw strikt genomen voor hem (en zijn andere crediteuren) subsidiërend uitpakt. Dat doet niet af aan het feit dat de hoeveelheid water die de Belastingdienst bij de wijn moet doen in het alternatieve scenario (het niet sluiten van een akkoord) hoger zal zijn (ook dan is sprake van strijdigheid met het rechtskarakter (paragraaf 6.3.2.5)). Vervolgens heb ik de mogelijke neveneffecten van een dwangakkoord besproken. Een dwangakkoord kenmerkt zich doordat sommige schuldeisers worden gedwongen te participeren in een betalingsregeling met de schuldenaar. Wanneer de regeling een betaling behelst (paragraaf 4.3.1.1), dan kunnen zij (wat betreft de btw) gedwongen in een nadeligere positie kunnen komen te verkeren (omdat van een niet-betaling niet langer sprake kan zijn). Daarmee lijkt het dwangakkoord te botsen met het rechtskarakter van de btw. Wat betreft de handelwijze in faillissement volsta ik met de opmerking dat deze in het licht van het rechtskarakter toelaatbaar is, zolang de (uiteindelijke) btw-aftrek van de failliet maar gelijk is aan de btw die hij zelf daadwerkelijk aan de leverancier heeft betaald (zie ook hierna in paragraaf 6.3.4.5). Dit lijkt onder het in de literatuur opgeworpen vereenvoudigingsvoorstel niet het geval te zijn.