Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.5.1:9.4.5.1 IBS As Siddieq (2011)
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.5.1
9.4.5.1 IBS As Siddieq (2011)
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977216:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 12 oktober 2009; vgl. ECLI:RVS:2010:BLO 183.
IvhO, Rapport van bevindingen. Onderzoek bij IBS As Siddieq,Haarlem juni 2009, p. 16, ECLI: NL:RVS:2011:BP 9541 (IBS As Siddieq).
Beschikking van 24 juni 2010, kenmerk PO/BS/213229.
ABRvS 30 maart 2011, AB 2011/93 (Burgerschapsvorming As Siddieq).
Commissie-Dijsselbloem 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 31007, nr. 6).
Vermeulen 2007, p. 72.
Van der Ven 1985, p. 73-74.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onduidelijkheid over de omvang van de wettelijke verplichting tot burgerschapsvorming kan tot verschil van inzicht leiden tussen het bevoegd gezag en de minister die zich op toezichtrapporten van de inspectie baseert voor de beoordeling van de wijze, waarop de school sectorale doelbepalingen en de Wet bevordering actief burgerschap en sociale integratie uitvoert. Een sprekend voorbeeld doet zich voor in 2009-2011, wanneer door een beschikking van de staatssecretaris van OCW op grond van artikel 164, eerste lid Wpo vijf procent van de bekostiging van de IBS As Siddieq in Amsterdam wordt opgeschort. Reden hiervoor is het onvoldoende aandacht besteden, ook na een langdurig traject van intensief toezicht, aan het onderwijs en de vorming in burgerschap, inburgering en basiswaarden van de democratische rechtsstaat.1
IBS As Siddieq ontvangt van de staatssecretaris een beschikking, waarbij een deel van de bekostiging opgeschort wordt. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op een inspectierapport uit 2009, waarin beschreven wordt dat er een tekort is in de openheid naar de samenleving en dat de diversiteit tekortschiet. Daarnaast is er onvoldoende aandacht voor de waarden van de democratische rechtsstaat.2 De uitvoering op school voldoet niet aan de prestatieafspraken en de inspectie maakt zich zorgen over de kwaliteit en de borging. Zij is, met de minister, van oordeel dat het bevoegd gezag onvoldoende invulling geeft aan de opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie en in strijd handelt met artikel 8 lid 3 en 9 lid 6 Wpo.
Om het bevoegd gezag tot spoedige naleving van de bepalingen te bewegen is de bekostiging gedeeltelijk opgeschort. Het bevoegd gezag gaat in bezwaar, maar de minister verklaart het bezwaar ongegrond.3 In beroep betoogt het bevoegd gezag bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het onderwijs op de IBS As Siddieq niet voldeed aan de wettelijke vereisten inzake burgerschapsonderwijs.4 De wet bepaalt dat het onderwijs mede gericht moet zijn op bevordering van actief burgerschap en sociale integratie.
ABRvS: Enige aandacht voor burgerschapsvorming is voldoende
De ABRvS stelt dat uit de wordingsgeschiedenis van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b Wpo is op te maken dat aan de scholen een grote vrijheid wordt gelaten in het vormgeven van de doelen van burgerschapsvorming. Tevens stelt de ABRvS dat het bevoegd gezag daarmee in strijd zou handelen als het op geen enkele wijze gestalte geeft aan onderwijs dat mede gericht is op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. De ABRvS overweegt dat niet staande is te houden dat zulks is nagelaten. De ABRvS concludeert dat er geen basis is voor de conclusie dat de stichting in strijd heeft gehandeld met artikel 8, derde lid, aanhef en onder b Wpo en dat de minister de toepassing van artikel 164 Wpo ten onrechte heeft gebaseerd op het niet naleven van die bepaling. Het hoger beroep is gegrond en de beschikking van de minister wordt vernietigd. Over de uitspraak van de ABRvS zijn Kamervragen gesteld.5
In deze uitspraak heeft de ABRvS de opdracht tot burgerschapsvorming begrensd tot een beperkte inspanning: er moet ‘iets’ gedaan worden aan burgerschapsvorming. Er moet een zekere inspanning zijn - vermoedelijk - in het bijbrengen van staatkundige kennis en van sociale vaardigheden, overeenkomstig de doelbepaling van de artikelen 8 lid 3b en c Wpo en 11 lid 3b en c Wec. Het onderwijs is volgens deze artikelen mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie (lid 3b) en is er mede op gericht leerlingen kennis te laten hebben van en kennis te laten maken met achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (lid 3c).
De wetgever heeft het bevoegd gezag, rekening houdend met artikel 23 Gw, alle vrijheid gelaten voor schooleigen invulling. Wil de inspectie ‘het wat en het hoe’ van burgerschapsvorming dieper kunnen toetsen en beoordelen, dan is de legitimatie aan de formele wet te ontlenen.6 De beoordelingsmaatstaven zijn - mede in het licht van de casus van het Haga Lyceum (zie par.9.4.7) - in 2021 in de onderwijswetgeving verankerd.
Pluriforme samenleving: actief burgerschap en sociale integratie
Scholen moeten er rekening mee houden dat leerlingen opgroeien in een pluriforme en multiculturele samenleving en dat de opdracht van scholen sinds 2006 in zoverre is gewijzigd.7 Pluriformiteit betekent dat er mensen met andere culturen, levensstijlen en religies vredig naast elkaar leven. Multiculturaliteit betekent dat mensen met diverse culturele achtergronden op gelijkwaardige basis, vreedzaam en met respect voor elkaars cultuur samenleven.8