Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.5.3.1
3.5.3.1 Roerende zaken
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302813:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 6:186 lid 1 is een product als gezegd gebrekkig indien het kort gezegd niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten.
Afd. 6.3.3 BW ziet blijkens art. 6:190 lid 1 enkel op (sub a) schade door dood en lichamelijk letsel en (sub b) zaakschade in de privésfeer met toepassing van een franchise van € 500,-. Afd. 6.3.3 BW ziet zodoende bijvoorbeeld niet op zaakschade in de bedrijfsmatige/professionele sfeer. Zie voor niet-toepasselijkheid van afd. 6.3.3 BW op zuiver geestelijk letsel Hof Den Bosch 1 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ7299 (Uitgebrande auto).
Art. 6:185 lid 1 aanhef en sub b is hierop afgestemd door te bepalen dat de producent aansprakelijk is, tenzij deze aannemelijk maakt dat het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan. Zie hierover nader Kamerstukken II 1987/88, 19636, 6, p. 13.
Hierop is art. 6:190 lid 1 sub b afgestemd, waaruit volgt dat in geval van aansprakelijkheid van de producent voor zaakschade in de privésfeer een franchise geldt van € 500,-.
Art. 6:190 lid 1 sub b. In Nederland geldt de franchise als ‘drempel’: zodra de schade boven de € 500,- uitstijgt, dient door de aansprakelijke persoon het gehele bedrag te worden vergoed. Zie Kamerstukken II 1987/88, 19636, 6, p. 27-28; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/267; Spier e.a. 2015/144.
Zie over deze ‘kleine claims’ Parl. gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 166; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/228; Jansen 2007, p. 173.
Aangetekend kan nog worden dat indien afd. 6.3.3 BW in beginsel wel toepasselijk is maar men het niet juist heeft gevonden de producent aansprakelijk te achten, evenmin nog een aansprakelijkheid rust op de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181. Zie Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1389, waar het voorbeeld wordt gegeven van een gebrek dat reeds bestond voor het in het verkeer brengen van het product maar dit in het verkeer brengen niet door de producent is geschied (diefstal). Ex art. 6:185 lid 1 aanhef en sub a is de producent dan niet aansprakelijk, de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181 evenmin. Zie ook Spier e.a. 2015, p. 159.
Inclusief de ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter uit art. 6:173 in bepaalde gevallen wordt ingewisseld. Zie par. 3.5.2.
Kamerstukken II 1987/88, 19636, 6, p. 13. Zie ook Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1386-1387.
Parl. gesch. Boek 6, p. 744-747, sub 3 en 4. Zie ook par. 3.3.1.
Zie nader par. 7.5.2.
Spier e.a. 2015, p. 155.
Zij kunnen ter afwering van aansprakelijkheid dan in ieder geval niet met succes wijzen op de kanaliseringsregel van lid 2 van art. 6:173. In deze zin ook Spier e.a. 2015, p. 109. Let wel, art. 6:173 (en ook art. 6:174) ziet evenmin op zuivere vermogensschade maar enkel op schade aan personen en zaken. Hier wringt overigens wel dat de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181 aansprakelijk is voor – niet door afd. 6.3.3 BW bestreken – schade wegens een ‘productiegebrek’, voor welk soort gebreken de producent nu juist ‘verantwoordelijk’ is. Eenzelfde stramien wordt echter gevolgd door de franchise m.b.t. zaakschade: voor deze weliswaar door een productiegebrek veroorzaakte schade maar in omvang minder dan € 500,- is niet de producent maar de bezitter/bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181 aansprakelijk. Zie ook hierna inzake opstallen (art. 6:174) en gevaarlijke stoffen (art. 6:175); ook daar bestaat de mogelijkheid dat in geval van productiegebreken, zij het cumulatief met de producent, de bezitter van de opstal respectievelijk beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker van de gevaarlijke stof belast is met een kwalitatieve aansprakelijkheid.
Degene die in geval van niet door art. 6.3.3 BW bestreken schadesoorten toch de producent tot vergoeding daarvan wenst aan te spreken, zal daartoe zijn aangewezen op art. 6:162. De regeling van afd. 6.3.3 BW laat blijkens art. 6:193 uitdrukkelijk alle andere rechten die de benadeelde uit hoofde van het bestaande recht ter beschikking staan, onverlet. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/272; Spier e.a. 2015/148a. Denk voor de relevantie van de mogelijkheid van een claim jegens de producent ex art. 6:162 ook aan de niet-toepassing van afd. 6.3.3 BW in verband met de franchise bij zaakschade in de privésfeer of het verstrijken van de termijnen van art. 6:191.
Treffend is ook dat op basis van art. 6:187 lid 2-4 meerdere personen tegelijk als ‘producent’ te gelden kunnen hebben. Bij de parlementaire totstandkoming werd de regering gewezen op het gevaar van dubbele verzekeringen, hetgeen zij onderkende maar naar aanleiding daarvan niet bereid was de regeling aan te passen. Zie Kamerstukken II 1987/88, 19636, 5, p. 10; Kamerstukken II 1987/88, 19636, 6, p. 11.
Vgl. Rb. Breda 19 december 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BC8144 (SVEN/Albert Heijn en TIP), waarin werd overwogen dat een kanalisering van de aansprakelijkheid naar de producent plaatsvindt mede ‘omdat deze de mogelijkheid heeft om invloed uit te oefenen op de kwaliteit van de zaak (…)’.
Vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19636, 3, p. 8: ‘Door het gebrekkig produkt in het verkeer te brengen neemt de producent de verantwoordelijkheid voor eventuele schadelijke gevolgen van het produkt op zich.’
Het gaat inzake art. 6:185 lid 1 aanhef en sub b om een door de producent te bewijzen uitzondering,Kamerstukken II, 19636, 3, p. 8; Kamerstukken II, 19636, 6, p. 17. Zie ook HR 24 december 1993, NJ 1994/ 214 (Leebeek/Vrumona). Bedoeld bewijs ex art. 6:173 lid 2 sub a rust echter op de benadeelde ingeval hij de bezitter wenst aan te spreken, zie Rb. Roermond 13 augustus 2003, VR 2004/30 (Kuipstoel), alsook Spier e.a. 2015/106; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/228.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/228. Vanuit praktische overwegingen geldt een uitzondering voor zaakschade in de privésfeer door een productiegebrek in omvang minder dan € 500,-.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/228 en 265; Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:173, aant. 8.5; Spier e.a. 2015, p. 145: Bauw 2015, p. 99.
Zie ook Jansen 2007, p. 173.
Hetgeen gelet op de verhouding tussen art. 6:181 en 6:173 zuiverder zou zijn geweest, zie par. 4.6.3.
Zie in deze zin ook Rb. Breda 19 december 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BC8144 (SVEN/Albert Heijn en TIP), waarin sprake was van letselschade door een gebrekkige roldeur van een trailer. Nu volgens de rechtbank sprake was van een productiegebrek werd afd. 6.3.3 BW toepasselijk geacht en werd daarom de op art. 6:173 jo. 181 gebaseerde vordering tegen de bedrijfsmatige gebruiker afgewezen.
Ook hier ware het zuiverder geweest de aansprakelijkheid – in plaats van aan het bezit – te koppelen aan de hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 jo. 173, zie nader par. 4.6.3.
Ingeval een in art. 6:173 bedoelde gebrekkige roerende zaak schade veroorzaakt terwijl dit schadefeit tevens door afd. 6.3.3 BW wordt bestreken, heeft de wetgever een cumulatieve aansprakelijkheid van de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker van de zaak enerzijds en anderzijds de producent willen vermijden. Van alternativiteit, in de zin dat de benadeelde een keuzemogelijkheid voor wat betreft de aansprakelijke persoon toekomt, is evenmin sprake. In geval van samenloop wordt de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar de producent: afd. 6.3.3 BW heeft exclusieve werking ten opzichte van art. 6:173 jo. 181. De parlementaire geschiedenis vermeldt in dit verband:1
‘Verwacht mag worden dat in een belangrijk aantal gevallen waarin een gebrek van een roerende zaak tot aansprakelijkheid op grond van artikel [6:173] leidt, tevens sprake zal zijn van een gebrek als bedoeld in de bepalingen betreffende produktenaansprakelijkheid. Dat zich een dergelijke samenloop voordoet zal in de regel ook niet moeilijk zijn vast te stellen. In deze omstandigheden kwam het wenselijk voor om een kanalisering van de aansprakelijkheid tot stand te brengen, zoals in artikel [6:173 lid 2] neergelegd is. Die bepaling heeft tot gevolg dat degene die de schade leed, zich in de eerste plaats tot de producent dient te wenden en pas terug kan vallen op degene die krachtens artikel [6:173] (eventueel in verbinding met artikel [6:181]) aangesproken kan worden, als, alle omstandigheden in aanmerking genomen, aannemelijk is dat het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht of dat het gebrek op een later tijdstip is ontstaan, alsmede wanneer zich het geval van artikel [6:173 lid 2 onder b] voordoet.’ (curs. AK)
De aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 en 181 is uitgesloten op het gebied dat door afd. 6.3.3 BW wordt bestreken. Dit wordt bewerkstelligd door de kanaliseringsregel van lid 2 van art. 6:173. Waar lid 1 van art. 6:173 de bezitter als aansprakelijke aanwijst voor schade veroorzaakt door een gebrekkige roerende zaak, laat het – niet gemakkelijk te doorgronden – tweede lid van art. 6:173 daarop volgen:
(art. 6:173 lid 2)
“Indien de zaak niet aan de in het vorige lid bedoelde eisen voldoet wegens een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van titel 3,2 bestaat geen aansprakelijkheid op grond van het vorige lid voor schade als in die afdeling bedoeld,3 tenzij:
alle omstandigheden in aanmerking genomen, aannemelijk is dat het gebrek niet bestond op het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht of dat het gebrek op een later tijdstip is ontstaan;4 of
het betreft zaakschade ter zake waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3 geen recht op vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling geregelde franchise.”5 (curs. AK)
Lid 2 van art. 6:173 kanaliseert de aansprakelijkheid voor schade door zogeheten ‘productiegebreken’ in een roerende zaak naar de producent. Hier wordt ook wel gesproken van een ‘klevende aansprakelijkheid’: de producent blijft aansprakelijk voor een eenmaal door hem in het verkeer gebracht gebrekkig product, ongeacht de verdere lotgevallen daarvan.6 Een uitzondering hierop vormen productiegebre ken die zaakschade in de privésfeer veroorzaken in een omvang die onder de franchise van € 500,- blijft.7 Hiermee heeft men willen voorkomen dat een producent zich geconfronteerd kan zien met talloze vorderingen van maar een gering financieel belang.8
Hoewel enkel art. 6:173 met lid 2 – en niet ook art. 6:181 zelf – een kanaliseringsregel met het oog op afd. 6.3.3 BW kent, blijkt uit de voormelde totstandkomingsgeschiedenis dat wat voor de bezitter uit art. 6:173 in relatie tot de producent opgaat eveneens voor de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 in relatie tot die producent geldt.9 Is sprake van schade veroorzaakt door een gebrekkige roerende zaak ex art. 6:173 jo. 181 die ook wordt bestreken door de regeling van de productenaansprakelijkheid ex art. 6:185 e.v., dan is afd. 6.3.3 BW exclusief toepasselijk.10 Dat afd. 6.3.3 BW exclusieve werking heeft ten opzichte van art. 6:173 jo. 181, past bij het streven van de wetgever samenloop van verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen door ter zake van hetzelfde schadefeit één persoon kwalitatief aansprakelijk te achten.
Dat náást de producent niet ook de bezitter11 of bedrijfsmatige gebruiker van de roerende zaak kwalitatief aansprakelijk is, is in het kader van de totstandkoming van de regeling van productenaansprakelijkheid als volgt toegelicht:
‘Een van de gevolgen van deze opzet is dat schade door gebreken van roerende zaken, die aanleiding tot aansprakelijkheid van de producent kunnen geven, in de eerste plaats door diens aansprakelijkheidsverzekering zal dienen te worden gedekt, en dat de schadelast waarmee rekening moet worden gehouden bij verzekering van de aansprakelijkheid van degene van wie op grond van artikel [6:173] schadevergoeding gevorderd kan worden, substantieel vermindert. Tegen de achtergrond van dit een en ander is het geen onoverkomelijk bezwaar geoordeeld dat artikel [6:173 lid 2] de situatie voor het slachtoffer gecompliceerder maakt en dat hij, om er zeker van te zijn dat hij zijn schade vergoed krijgt, soms genoodzaakt zal zijn zowel de producent aan te spreken als de bezitter van de zaak of degene die deze in de zin van artikel [6:181] in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikte.’12 (curs. AK)
De aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 en 181 is uitgesloten op het gebied dat door afd. 6.3.3 BW wordt bestreken. Een beroep wordt gedaan op de voor de aansprakelijkheidsverzekering relevante schadelast van de ex art. 6:173 jo. 181 aansprakelijke. Beoogd is de positie van degene die zich tegen de aansprakelijkheid ex art. 6:173 jo. 181 wenst te verzekeren te verlichten. Een gevolg daarvan is dat de benadeelde die verhaal zoekt wegens schade door een gebrekkige roerende zaak dus twee maal voor een belangrijke keuze kan komen te staan. Ten eerste of de producent van de zaak de aan te spreken persoon is (afd. 6.3.3 BW) óf dat het systeem van art. 6:173 jo. 181 geldt. Blijkt dit laatste het geval te zijn, dan volgt een tweede keuze zijdens de benadeelde, namelijk die voor de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker. De toelichting acht de met de eerste keuzemogelijkheid samenhangende complicaties voor benadeelden niet te bezwaarlijk, omdat groter belang wordt gehecht aan het verzekeringsaspect: exclusieve aansprakelijkheid van de producent leidt tot substantiële daling van de schadelast waarmee rekening moet worden gehouden bij het afsluiten van een verzekering door degene van wie op grond van art. 6:173 jo. 181 schadevergoeding gevorderd kan worden.
Ik breng in herinnering dat in de wetsgeschiedenis de exclusieve werking van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:173 eveneens is verdedigd met een verzekeringsargument, in dit geval het voorkomen van dubbele verzekeringslasten.13 Of dat wel een overtuigend argument betreft, betwijfel ik.14 Ter verdediging van de exclusieve werking van afd. 6.3.3 BW ten opzichte van art. 6:173 jo. 181 wordt dit argument in ieder geval niet gebezigd. Dat lijkt mij juist, aangezien dubbele verzekeringslasten (ook) niet door de exclusieve werking van afd. 6.3.3 BW zullen worden voorkomen. Afd. 6.3.3 BW sluit de werking van art. 6:162 en 6:74, alsook de mogelijkheid van regres namelijk niet uit. Zo kan op de bezitter/bedrijfsmatige gebruiker van een roerende zaak op wie vanwege de kanalisering van de aansprakelijkheid naar de producent geen aansprakelijkheid ex art. 6:173 jo. 181 (meer) rust, nog wel een aansprakelijkheid ex art. 6:162 of 6:74 jegens de benadeelde bestaan.15 Ook is regres door de producent op de eventueel ‘schuldige’ bezitter/bedrijfsmatige gebruiker niet uitgesloten. Relevant is voorts dat de aansprakelijkheid ex art. 6:173 jo. 181 ‘herleeft’ ingeval geen sprake is van een productiegebrek ex afd. 6.3.3 BW. Zelfs wanneer van een dergelijk gebrek wel sprake is, kan art. 6:173/181 toepasselijk zijn, namelijk in geval van zaakschade in de privésfeer die valt onder de daarvoor geldende franchise. Daarnaast ziet afd. 6.3.3 BW niet op alle soorten schade die een gebrekkige zaak kan toebrengen maar kort gezegd alleen op typische consumentenschade.16 De bezitter en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181 kunnen zich daarom nog altijd geconfronteerd zien met een vordering tot vergoeding van niet door afd. 6.3.3 BW bestreken schadesoorten.17, 18 Kortom, ondanks de exclusieve werking van afd. 6.3.3 BW in geval van productschade door productiegebreken blijft in situaties van schade door een roerende zaak – afhankelijk van het tijdstip waarop het gebrek in de zaak is ontstaan, de franchise met betrekking tot zaakschade in de privésfeer en het soort schade dat is ontstaan – de aansprakelijkheid/draagplicht van de in art. 6:173 jo. 181 bedoelde bezitter/bedrijfsmatige gebruiker een reële mogelijkheid. Náást de producent zullen laatstgenoemden dan ook nog altijd de behoefte kunnen hebben zich te verzekeren. Hier komt nog bij dat, zoals hierna zal blijken, in geval van samenloop van art. 6:174 en 175 jo. 181 met afd. 6.3.3 BW cumulatieve aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.2 en 6.3.3 BW niet is uitgesloten. De aansprakelijkheden ex art. 6:173 en 174 zijn doorgaans onder eenzelfde AVP-polis gedekt, terwijl de aansprakelijkheden ex art. 6:181 jo. 173, 174 en 175 onder dezelfde AVB-polis gedekt zullen zijn. De exclusieve werking van afd. 6.3.3 BW in bepaalde gevallen ten opzichte van louter de aansprakelijkheid ex art. 6:173 jo. 181 van de bezitter/gebruiker, zal er dan ook niet toe leiden dat WA-polissen wordt opgezegd. Daarmee zou dan immers ook de verzekeringsdekking voor de andere aansprakelijkheden ex art. 6:174 en 175 jo. 181 verdwijnen, terwijl díe aansprakelijkheden wel kunnen cumuleren met die van de producent uit afd. 6.3.3 BW. Al met al zullen dubbele verzekeringslasten door de afstemming van art. 6:173 jo. 181 op afd. 6.3.3 BW dus niet worden voorkomen.19
De kanalisering van de aansprakelijkheid naar de producent voor de in afd. 6.3.3 BW bedoelde schade door productiegebreken zal er ongetwijfeld wel toe leiden dat de in art. 6:173 en 181 bedoelde bezitter/bedrijfsmatige gebruiker van een roerende zaak minder vaak aansprakelijk is dan bij gebreke van een dergelijke kanaliseringsconstructie. Niettemin meen ik dat de ‘billijkheid’ van een kanalisering van aansprakelijkheid naar de producent niet zozeer is gelegen in verzekeringsaspecten, maar in ‘verantwoordelijkheid’. In de kanalisering van de aansprakelijkheid voor schade door productiegebreken naar de producent valt immers duidelijk te herkennen dat de aansprakelijkheid wordt gelegd bij degene met kort gezegd de meeste invloed op de door de zaak veroorzaakte schade.20 Kanalisering van de kwalitatieve aansprakelijkheid naar de producent is namelijk enkel aan de orde in geval van schade door gebreken die zijn ontstaan wringt overigens wel dat de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181 aansprakelijk is voor – niet door afd. 6.3.3 BW bestreken – schade wegens een ‘productiegebrek’, voor welk soort gebreken de producent nu juist ‘verantwoordelijk’ is. Eenzelfde stramien wordt echter gevolgd door de franchise m.b.t. zaakschade: voor deze weliswaar door een productiegebrek veroorzaakte schade maar in omvang minder dan € 500,- is niet de producent maar de bezitter/bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:173 jo. 181 aansprakelijk. Zie ook hierna inzake opstallen (art. 6:174) en gevaarlijke stoffen (art. 6:175); ook daar bestaat de mogelijkheid dat in geval van productiegebreken, zij het cumulatief met de producent, de bezitter van de opstal respectievelijk beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker van de gevaarlijke stof belast is met een kwalitatieve aansprakelijkheid. tijdens het productieproces. Veroorzaakt een dergelijk productiegebrek schade, dan is het de in afd. 6.3.3 BW bedoelde producent die op het ontstaan daarvan de meeste invloed heeft (gehad) en daarvoor de (grootste mate van) ‘verantwoordelijkheid’ draagt, niet de – ‘toevallige’ – bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van de zaak uit art. 6:173 en 181.21 Dit ligt anders indien het gebrek niet al bestond op het moment dat de producent de zaak in het verkeer bracht, maar op later tijdstip is ontstaan.22 Dan wordt het ‘redelijker’ geacht dat in plaats de producent de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181 het aansprakelijkheidsrisico met betrekking tot de zaak tegenover derden draagt.23 Andere gebreken dan productiegebreken zullen doorgaans immers ontstaan door ‘normale slijtage’ wegens het gebruik dat de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van de zaak maakt, door onoordeelkundig gebruik of wegens gebruik voor een ander doel dan waarvoor het product werd vervaardigd.24 Dat de kwalitatieve aansprakelijkheid voor producten wordt gekanaliseerd naar degene met de meeste invloed op het ontstaan van schade, blijkt ook uit de kanaliseringsconstructie binnen afd. 6.3.3 BW in de vorm van art. 6:185 lid 1 sub f. Hieruit volgt dat de in art. 6:187 lid 2 genoemde producent van een grondstof en fabrikant van een onderdeel zich aan aansprakelijkheid kunnen onttrekken, indien zij aantonen dat het gebrek is te wijten aan het productontwerp en/of instructies van de ‘hoofdproducent’. Dan is alleen de hoofdproducent van het product, waarin de grondstof of het betreffende onderdeel is verwerkt, aansprakelijk omdat deze als ‘eindverantwoordelijke’ heeft te gelden.25
Illustratief omtrent de verhouding tussen art. 6:173 jo. 181 enerzijds en anderzijds afd. 6.3.3 BW is Hof Den Bosch 8 maart 2005, VR 2006/38 (Turbo Polyp). Hierin stelde slachtoffer Van Zanten letsel te hebben opgelopen wegens een gebrekkige kermisattractie. Zij was tijdens een rit in de attractie onder de neergeklapte beveiligingsbeugel door uit de gondel gegleden en vanaf 3 meter hoogte ten val gekomen. De rechtbank beschouwde de attractie als gebrekkig en wees exploitant Van Tol daarvoor als bezitter van de attractie ex art. 6:173 als aansprakelijke aan. In hoger beroep liet het hof het antwoord op de vraag naar de gebrekkigheid van de attractie echter in het midden, omdat exploitant Van Tol om een andere reden niet kwalitatief aansprakelijk kon zijn:
‘Indien echter uitgegaan zou moeten worden van de juistheid van voormelde stelling van Van Zanten ten aanzien van het aan de Turbo Polyp klevende gebrek, is er tevens sprake van een gebrek in de zin van artikel 6:185 BW, welk artikel ziet op de aansprakelijkheid van de producent van een gebrekkig product. (…) In een dergelijke situatie is ingevolge artikel 6:185 BW de producent aansprakelijk voor deze schade. In dat geval had Van Zanten dan ook niet Van Tol, als bezitter van de Turbo Polyp, doch de producent daarvan dienen aan te spreken voor vergoeding van de door haar gestelde geleden schade.’
De rechtbank had in deze kwestie, nu het om een productiegebrek ging, de exclusieve werking van afd. 6.3.3 BW ten opzichte van art. 6:173 miskend. Zou de rechtbank overigens de exploitant niet als bezitter ex art. 6:173 maar in hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 van de attractie kwalitatief aansprakelijk hebben aangemerkt,26 dan was de uitkomst niet anders geweest. Wat voor art. 6:173 in relatie tot afd. 6.3.3 BW geldt, geldt immers ook voor art. 6:181.27 In deze kwestie was het ‘billijker’ de producent en niet de bezitter/ bedrijfsmatige gebruiker van de zaak met de kwalitatieve aansprakelijkheid te belasten, omdat de producent ‘verantwoordelijk’ was voor (lees: de grootste mate van zeggenschap had over) het schadeveroorzakende gebrek. Rb. Roermond 13 augustus 2003, VR 2004/30 (Kuipstoel) biedt een voorbeeld waarin van kanalisering van aansprakelijkheid naar de producent geen sprake is. Het slachtoffer bezocht in een recreatiepark het zwembad en nam daar plaats op een van de aanwezige kuipstoeltjes. Plotseling brak hier een poot vanaf, waardoor het slachtoffer met haar hoofd tegen een stenen muurtje ten val kwam. De rechtbank overwoog:
‘Tussen partijen staat vast dat de litigieuze stoel minimaal 3 jaar lang is gebruikt, waarbij de rechtbank het een feit van algemene bekendheid acht dat het gebruik van stoelen in een bedrijf als dat van De Lommerbergen intensief en veelvuldig is. Het is derhalve aannemelijk dat het gebrek aan de stoelpoot nog niet bestond op het moment waarop het product in het verkeer werd gebracht dan wel het gebrek op een later tijdstip door het gebruik dat De Lommerbergen daarvan maakte moet zijn ontstaan. Immers zou anders het gebrek eerder aan het licht moeten zijn gekomen.’
Nu volgens de rechtbank van een productiegebrek geen sprake was, werd niet de producent van de kuipstoel maar het recreatiepark ex art. 6:173 aansprakelijk geacht.28 In deze zaak is de aansprakelijkheid van de bezitter/bedrijfsmatige gebruiker ‘billijker’ dan die van de producent, omdat aangenomen kan worden dat het gebrek pas is ontstaan ná het in het verkeer brengen van de zaak door de producent, en wel wegens het (intensieve) gebruik dat het recreatiepark daarvan in de loop der tijd had gemaakt. Niet de producent maar het recreatiepark was ‘verantwoordelijk’ voor het schadeveroorzakende gebrek.