Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/3.2.3.2
3.2.3.2 Uitgangspunten
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661238:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Brunger en Veldman 2011, p. 28: ‘In 1993 richtte de Belastingdienst zich nog op het zenden van de boodschap.’ Het begrijpen van de boodschap door de ontvanger stond niet centraal.
Sprenger 2016, p. 159 vgl. Pfeil 2009, p. 403 die wijst op een toenemende aandacht voor begrijpelijkheid en toegankelijkheid, maar dat de fiscale wetgever op dit punt niet altijd meewerkt.
Van Kommer 1998, p. 64.
In deze periode stond bij communicatie met burgers het ‘top down’ zenden van informatie centraal.1 Dat brengt mee dat voorlichting werd ingericht vanuit het perspectief van de interne, eigen processen van de Belastingdienst, gebaseerd op de belastingwet. Hoe informatie overkwam bij de ontvanger (zoals burgers), was niet aan de orde. Ook besteedt de Belastingdienst in deze tijd nog nauwelijks aandacht aan de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van communicatie met de burger. Zo was de ‘blauwe envelop’ bekend, maar zo typeert Sprenger, ‘niet vanwege de heldere informatie die zij bevat’.2
In de jaren 70 kreeg de Belastingdienst dus onder invloed van het veranderende politieke en maatschappelijke speelveld oog voor zijn plicht om burgers te informeren over fiscale wet- en regelgeving. Oftewel, de Belastingdienst onderkent zijn plicht tot informatieverstrekking. Het ging hierbij vooral om informeren (bijv. campagnes, hulp bij de aangifte) vanuit een positie van gezag en autoriteit. Voorlichting en dienstverlening waren evenwel nog niet in ‘het denken en doen van de Belastingdienst verankerd’.3