Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5:2.4.5 Onherroepelijke rechterlijke uitspraak
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5
2.4.5 Onherroepelijke rechterlijke uitspraak
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859104:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In tegenstelling tot de eerste twee onwaardigheidsgronden spreekt de wet niet van een onherroepelijke veroordeling, maar van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Vanaf het ontwerp-Meijers wordt bewust deze afwijkende terminologie aangehouden, omdat het tot uitdrukking brengt dat tevens een civiele uitspraak toereikend is.1 De discussie die hierover bestond onder het OBW is hiermee ten einde.2 Wanneer de strafrechter en de civiele rechter tot de vaststelling komen dat een lasterlijke beschuldiging is ingebracht, is aan de orde gekomen in paragraaf 2.4.2.
Het is niet voldoende als de erflater van de beschuldiging is vrijgesproken, dan wel dat het om een andere reden niet tot een veroordeling van de erflater komt. Daarmee is immers niet gezegd dat de beschuldiging lasterlijk is. De wet vordert derhalve een rechterlijke uitspraak tegen de lasteraar.3
2.4.5.1 Laster en lasterlijke aanklacht zijn klachtdelicten2.4.5.2 Buitenlandse rechterlijke uitspraak2.4.5.3 Buitengerechtelijke afdoening2.4.5.4 Gratie, executieverjaring en herziening2.4.5.5 Eis van onherroepelijkheid2.4.5.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke rechterlijke uitspraak