Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.4
2.4.4 Zorgvuldigheid als voorwaarde voor rechtvaardig gebruik van gegevens
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS380134:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Brief College bescherming persoonsgegevens, 25 februari 2015, kenmerk z2015-00155.
Het Cbp geeft aan dat de inmenging proportioneel moet zijn. Ter toelichting geeft de autoriteit de volgende inhoud gegevene aan proportioneel: ‘De beperking mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het nagestreefde doel’, Brief 16 augustus 2016, kenmerk 2016-0000090569; zie ook Brief van 13 oktober 2015, met kenmerk z2015-00680.
Ook moet in het kader van de noodzakelijkheidstoets moet naast proportionaliteit de subsidiariteit worden beoordeeld. Ter toelichting geeft de autoriteit de volgende inhoud gegevene aan subsidiariteit: ‘het nagestreefde doel moet niet op een voor de burger minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt’, Brief 16 augustus 2016, kenmerk 2016-0000090569; zie ook Brief van 13 oktober 2015, met kenmerk z2015-00680.
Hierover merkt het Cbp op: ‘De inmenging moet met voldoende nauwkeurigheid zijn geformuleerd om de burger zo goed mogelijk in staat te stellen zijn gedrag af te stemmen op het geldende recht. Dit betekent dat eventueel nieuwe wet- en regelgeving duidelijk moet aangeven met betrekking tot welke categorieën van personen gegevens mogen worden opgeslagen, onder welke omstandigheden gegevens mogen worden vergaard, en hoe lang deze mogen worden bewaard. Daarnaast dienen er voorzieningen te zijn voor de transparantie en de controleerbaarheid van de opgeslagen informatie, zoals voorschriften voor verslaglegging.’
Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 89. In uitzonderlijke omstandigheden hoeft geen sprake te zijn van de verenigbaarheid (art. 43 Wbp). Daarbij gaat het met name om strafrechtelijke feiten en veiligheid van de Staat. Deze uitzonderingen moeten restrictief worden geïnterpreteerd, zieT.F.M. Hooghiemstra, Tekst en toelichting Wet bescherming persoonsgegevens, 2007, p. 80.
PHR 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885, 3.16 ‘Is sprake van een inbreuk, dan vereist artikel 8 EVRM dat deze (i) bij de wet is voorzien en (ii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. De inbreuk moet bovendien in het belang zijn van (a) de nationale veiligheid, (b) de openbare veiligheid of (c) het economisch welzijn van het land, (d) het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, (e) de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of (f) voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
Een wet in formele zin, vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996/249, r.o. 6.4.2
EHRM 2 augustus 1984, nr. 8691/79 (Malone vs. Verenigd Koninkrijk).
Zie bijv. EHRM 25 september 2001, no. 44787/98, par. 56 (J.H. vs. the United Kingdom).
Conclusie A-G Wattel bij HR 23 september 2005, LJN:AR6468.
M. Muller, Derdenonderzoeken en rechtsbescherming. In: TFB 2011/8, p. 12, ‘Als de inspecteur deze beginselen zelf heeft geschonden en informatie onrechtmatig heeft verkregen, moet dit materiaal bij de bewijsvoering buiten beschouwing worden gelaten.’
In de vakliteratuur kom ik binnen het bestuursrecht de begrippen ‘onbevoegdelijk verkregen bewijs’ en ‘onrechtmatig verkregen bewijs’ tegen; het strafrecht kent alleen het begrip ‘onrechtmatig verkregen bewijs’. In het kader van dit onderzoek hanteer ik zoveel mogelijk de term ‘onbevoegdelijke verkregen bewijs’ voor bewijs dat verkregen wordt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het toetsingskader bij bewijsvergaring met controlebevoegdheden bestaat uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.; HR 10 februari 1988, LJN: ZC3761, BNB 1988/160 m.nt. Hofstra, V-N 1988/703.4 m.nt. van de Redactie, FED 1988/273 m.nt. Wattel, AB 1988/547 m.nt. De Waard. Voor die situaties waarin bewijs is verkregen in strijd met strafrechtelijke opsporingsregulering, hanteer ik de term ‘strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs’. Bewijs dat strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen, kan in beginsel wel bestuursrechtelijk als bewijs dienen; zie ook HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.
HR 10 februari 1988, LJN:ZC3761, BNB 1988/160.
HR 4 november 1992, LJN:ZC515, BNB 1993/90 m.nt. Simons, V-N 1993/981.18m.nt. van de Redactie, FED 1992/893 m.nt. Smit.
HR 27 september 2002, LJN:AD8780 (na conclusie A-G Van Kalmthout, BNB 2003/13 m.nt. M.W.C. Feteris).
S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, 2017, p. 135 e.v.
Vgl. Rb. Zeeland-West-Brabant 29 november 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7501, V-N 2017/8.6.
‘Naast de civielrechtelijke mogelijkheden kent het fiscale recht de kostenvergoedingsbeschikking in de gevallen waarin de inspecteur de administratieplichtige onrechtmatig een administratieve verplichting heeft opgelegd en die is die verplichting ook nagekomen (art. 52 lid 7 AWR) dan wel de inspecteur de administratieplichtige onrechtmatig heeft verplicht informatie te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing van derden en die is die verplichting ook nagekomen (art. 53 lid 5 AWR). Voor art. 53 AWR geldt dat onder verwijzing naar art. 47 AWR een medewerkingsverplichting is opgelegd (‘desgevraagd’).’ en ‘De kostenbeschikking voor art. 52 AWR geldt voor situaties waarin de inspecteur een bepaalde administratie- of bewaarplicht heeft voorgeschreven. Dat zal veelal het geval zijn in een controlerapport of in een afzonderlijk schrijven naar aanleiding van een (deel)controle.’ G.J.M.E. de Bont, Verplichtingen in relatie tot de administratie. In: Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht, 2012/123.2.
K. van den Bos, Rechtvaardigheid en onzekerheid, 2009. In: De menselijke beslisser, over de psychologie van keuze en gedrag, red. W.L. Tiemeijer, C.A. Thomas en H.M. Prast, 2009, p. 89.
EHRM 25 januari 2008, nr. 38258/03 (Van Vondel vs. Nederland). In deze zaak verschafte de politie in het kader van een opsporingsonderzoek opnameapparatuur aan een door de overheid ‘gerunde’ infiltrant. Die kreeg op enig moment instructies van de overheid waardoor de fundamentele rechten werden geschonden.
Registratiekamer, 19 januari 1999, kenmerk 98.A.0849.1.
Nationale ombudsman 6 oktober 2009, 2009/210; zie ook Nationale ombudsman 14 mei 2009, 2009/095.
Dit strekt namelijk verder dan het verkrijgen van gegevens volgens de leer van de voortgezette toepassing van bevoegdheden (HR 2 december 1935, NJ 1936/250). Daarbij gaat het uitoefenen van bevoegdheden door dezelfde toezichthouder c.q. opsporingsambtenaar. Het moet daarbij gaan om een toevallige vondst. Ook hier geldt dat het gebruik van een bevoegdheid tot doel heeft om buiten het bereik van de wet liggende zaken op te sporen, sprake is van detournement de pouvoir, zie o.a. Kamerstukken 1999/00, 26 865, nr. 3, p. 6.
Rb. ’s-Gravenhage 13 juli 2011, LJN:BR54460001.
HR 1 juli 1992, LJN:ZC5028, BNB 1992/306; zie ook Rb. Haarlem 3 oktober 2006, LJN:AZ1788 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:646.
HR 19 december 1990, LJN:ZC4492, BNB 1991/176; zie ook HR 13 december 1995, LJN:AA3171, V-N 1995/4460; HR 3 mei 2002, LJN:AF0642, V-N 2002/58.4; HR 7 juni 2002, LJN:AE3833, BNB 2002/284; Hof Amsterdam 22 april 2005, LJN:AV7008, V-N 2005/40.1.2; HR 29 april 2005, LJN:AT4895, V-N 2005/33.4; Hof Amsterdam 18 januari 2006, LJN:AU9845; Hof Amsterdam 31 augustus 2006,LJN:AZ1035; Hof Amsterdam 4 oktober 2006, LJN:AY9334; Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2007, LJN:BC0098; Hof ’s-Hertogenbosch 14 augustus 2009, LJN:BK0147; Hof ’s-Gravenhage 14 juli 2010, LJN:BN4401; HR 27 april 2012, LJN:BW4095; Rb. Gelderland 6 juni 2013, LJN:CA1888; Hof’s-Hertogenbosch 27 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2621.
Een onherstelbare vormverzuimen (in het voorbereidend onderzoek) kan als rechtsgevolg hebben een niet‑‑ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, bewijsuitsluiting of strafvermindering verbinden (art. 359a lid 1 Sv). De Hoge Raad gaf daarbij ook de mogelijkheid dat de strafrechter aan een zodanig vormverzuim geen enkele consequentie verbindt, en volstaat met de constatering dat het verzuim is begaan (zie onder meer NJ 2004/376, overweging 3.6.1.
HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3109; zie ook Kamerstukken II 1994/95, 23 705, nr. 6, p. 3.
HR 30 maart 2004, LJN:AM2533, NJ2004/376.
Voor het algemene toetsingskader bij vormverzuimen a.b.i. art. 359a Sv en de daaraan evt. te verbinden rechtsgevolgen verwijs ik naar onder andere HR 30 maart 2004, LJN:AM2533, NJ 2004/376 en HR 19 februari 2013, LJN:BY5322, NJ 2013/308.
HR 19 februari 2013, LJN:BY5322.
In HR 19 februari 2013, LJN:BY5321, NJ 2013/308 heeft de Hoge Raad voornoemde drie mogelijkheden gegeven tot bewijsuitsluiting in strafrechtelijke procedures; zie ook Rb. Zeeland-West-Brabant, 29 november 2016, ECLI:NL: RBZWB:2016:7501 met relatie naar toepassing in het belastingrecht.
Vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349; zie ook HR 12 juli 2013, LJN:BZ3640, BNB 2014/101, en HR 8 augustus 2014, ECLI:NL: HR:2014:2144, BNB 2014/206.
HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0816, NJ 2013/414.
Zie bijvoorbeeld het uitsluiten van bewijs verkregen in strijd met het professionele verschoningsrecht (HR 12 maart 1997, LJN:ZC6589, BNB 1997/146, met vergelijkbare toepassing in het strafrecht HR 12 januari 1999, nr. 108483, NJ 1999/ 290.
HR 1 juli 1992, LJN:ZC5028, BNB 1992/306; zie ook bevestiging in HR, 20 maart 2015, 2015:ECLI:NL:HR:2015:643.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 29 november 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7501.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.
HR 12 maart 1997, LJN:ZC6589, BNB 1997/146.
HR 9 september 1992, LJN:BH8233, BNB 1992/366 en 367; HR 25 januari 1995, LJN:AA3025, BNB 1995/64; HR 23 september 1992, LJN:BH8949, BNB 1992/387; HR 12 maart 1997, LJN:ZC6589, BNB 1997/146; HR 21 maart 2008, LJN:BA8179; Hof ’s- Gravenhage 14 juli 2010, LJN:BN4401; Rb. Haarlem 11 februari 2013, LJN:BZ3282.
Hof ’s-Hertogenbosch, 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.
Hof ’s-Hertogenbosch, 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515.
ABRvS 9 april 2008, LJN:BC9069 en ABRvS 21 januari 2009, LJN:BH0484; zie ook HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643; ABRvS 31 oktober 2012, LJN:BY1691 en CRvB van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:425.
O.J.D.M.L. Jansen, De toelaatbaarheid en juridische grenzen van bewijsvergaring in het boeterecht als Chefsache, NJB 2017, afl. 23.
O.J.D.M.L. Jansen, Koudwatervrees in een bananenkoninkrijk? JBPLUS 2017/0, p. 12.
CRvB 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:425. In casu het bewijs uitsluiten van bewijs omdat gebruik werd gemaakt van de diensten van het bedrijf SV Land dat het diep in de persoonlijke levenssfeer van de uitkeringsgerechtigde ingrijpende controleonderzoek uitvoerde. Zie ook CRvB 16 september 2014, ECLI:NL: CRVB:2014:2947, AB 2014/422, waarin het College oordeelde dat deze controle tot de kerntaken binnen het publieke domein behoren; de overheid mag daarvoor geen commercieel bedrijf inschakelen en het College sloot het daarmee verkrgen bewijs uit.
O.J.D.M.L. Jansen, noot bij ABRvS 03-06-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1723, AB 2015/ 229.
ABRvS 31 oktober 2012, LJN:BY1691, AB 2013/72. Zie ook ABRvS 12 april 2006,ECLI:NL:RVS:2006:AW1281.
Rb. Rotterdam 15 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5395; JOR 2016/338 m.nt. S.M. C. Nuijten.
ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1723; AB 2015/229 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen.
Vgl. ABRvS 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1723; AB 2015/229 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen. Zie ook R. Klein, S.M.C. Nuijten en X.M. Born, ‘Controlebevoegdheden. Verslag VAR-studiemiddag 25 juni 2015’, NTB 2015/44, p. 330-337 met pleidooi voor ambtshalve toetsing door rechter op het verzamelde bewijs door toezichthouder om zo te bewerkstelligen dat het toezichtonderzoek grondiger wordt en de rechtswaarborgen in het bestraffende bestuursrecht beter.
Hoewel het uitgangspunt geldt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage moeten worden verstrekt (ex. art. 7:4 Awb en art. 8:42 Awb) geeft de Hoge Raad op dit moment nog geen uitsluitsel over deze situaties. Zie HR 4 mei 2018, ECLI: NL:HR:2018:672; zie ook HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1315, ECLI:NL: HR:2018:1319, ECLI:NL:HR:2018:1316 en ECLI:NL:HR:2018:1371.
Rb. Rotterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3894 verbond daaraan de conclusie ‘(…) dat de AFM de gegevens heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheidsorgaan mag worden verwacht dat het gebruik van deze gegevens onder alle omstandigheden onrechtmatig moet worden geacht, zodat de AFM de door de Belastingdienst verstrekte gegevens niet ten grondslag mag leggen aan het bestreden besluit.’.
A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2016:885, r.o. 7.34.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, met conclusie ECLI:NL: PHR:2016:853 en ECLI:NL:PHR:2016:885
A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2016:885, r.o. 7.42.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, met conclusie ECLI:NL: PHR:2016:853 en ECLI:NL:PHR:2016:885
Zie naar aanleiding van HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, uitspraak ABRvS, 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2008.
Alleen het convenant van de Belastingdienst voor de aanpak van vastgoed beperkt het gebruik, ook na het delen van de gegevens en inlichtingen, binnen het oorspronkelijke doel: ‘informatie wordt slechts verstrekt aan een ontvangende partij indien het gebruik door haar past binnen het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn aangeleverd of verzameld door de partij die de gegevens toegankelijk heeft gemaakt voor het samenwerkingsverband’, Convenant gegevensuitwisseling programma vastgoed, 23 september 2008.
Voor het vaststellen van het kader voor het rechtvaardig delen van gegevens kan ik mij niet alleen beperken tot de gegevensverstrekker, de Belastingdienst. Ook de positie van de gegevensontvanger, in casu het bestuursorgaan binnen het rijksbrede toezicht, is relevant. Ook daarvoor gelden de beginselen van een wettelijke grondslag en noodzakelijkheid. De beginselen van behoorlijk bestuur vervullen ook dan een centrale rol.
Het Cbp verwijst daar expliciet naar voor de bescherming van persoonsgegevens.1 Het college geeft het volgende aan: ‘Een wettelijke grondslag voor verwerkingen van persoonsgegevens [MS: waartoe gegevensverstrekking behoort] door samenwerkingsverbanden moet voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit,2 subsidiariteit 3 en voorzienbaarheid.’ 4 Het verstrekken van persoonsgegevens aan derden is niet uitgesloten (art. 9 lid 1 Wbp en art. 6 AVG). De vraag naar het verdere gebruik is van belang: is dat verenigbaar met het oorspronkelijk doel.5 De rol van de gegevensontvanger kan dan ook niet worden genegeerd, voor persoonsgegevens noch voor andere gegevens.
De toezichthouder als ontvanger belicht
De toezichthouder moet immers zijn toezichtsbevoegdheden zorgvuldig uitoefenen (art. 3:4 Awb). In het delen van gegevens kan naast de gegevensverstrekker (in casu: de Belastingdienst) de rol van de ontvanger niet buiten beschouwing worden gelaten.
Voor de Belastingdienst moet de wetgeving daaromtrent voldoende toegankelijk (‘accessible’), voorzienbaar (‘forseeable’) en precies (‘sufficient precise’) zijn.6 Begrippen die al eerder de revue passeerden.
Aan het verstrekken van gegevens door de Belastingdienst moet een verzoek voorafgaan. De gegevens-ontvangende-toezichthouder zal dan ook tevens over bevoegdheden moeten beschikken om dat verzoek te (kunnen) doen. Ook dat verzoek zal bij wet moeten zijn voorzien (‘in accordance with the law’). Oftewel, met de woorden van artikel 10 GW ‘behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen’.7 Een inbreuk op de fundamentele rechten moet in beginsel voldoende nauwgezet in de wet zijn beschreven hetgeen ook een waarborg inhoudt tegen willekeurige inbreuken van de overheid.8 Daarnaast is het van belang wat de betreffende burger of bedrijf had verwacht omtrent zijn privacy (‘person’s reasonable expectations as to privacy’).9
Daar waar de overheid belangen moeten wegen – die niet vooraf in concreto te voorzien zijn – ligt het in de lijn van de uitvoering van de wet, dat de toezichthouder die belangen zorgvuldig afweegt en het resultaat van zijn afweging vervolgens de evenredigheids-, willekeur- en materiële zorgvuldigheidstoets moet kunnen doorstaan. Wattel noemt dat een rechtvaardige en transparante belangenafweging die veelal in relatie staat tot de effectiviteit van die toezichthouder.10 Er ligt dan ook een verantwoordelijkheid van belangenafweging bij zowel de Belastingdienst als de ontvangende toezichthouder.
Het belang van zorgvuldigheid in relatie tot de effectiviteit van het toezicht
Van een behoorlijk handelende overheid mag verwacht worden dat zij materiaal gebruikt dat op een rechtmatige wijze is verkregen.11 Doet zij dit niet, dan kan dat gevolgen hebben voor het toezicht. Het overtreden van het bestuursrechtelijke zorgvuldigheidsbeginsel kan leiden tot het uitsluiten van het zogenaamde onbevoegdelijk verkregen materiaal: het bewijs kan niet voor de bewijspositie worden gebruikt.12 Ter illustratie enkele situaties waarbij de toezichthouder – ik neem de inspecteur ook hier als uitgangspunt – onbevoegdelijk over gegevens komt te beschikken. De inspecteur die ten onrechte tot inzage verplicht tijdens de beroepsfase, handelt onbevoegdelijk en ziet zijn bewijs ‘verdampen’.13 De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur tot ‘(…) inzage in belanghebbendes boekhouding, niet bevoegd was zodanige inzage van belanghebbende te vorderen, maar hij zich tot het hof had moeten wenden met het verzoek die boekhouding langs de weg van de artikelen 14 e.v. WARB [MS: algemene beginselen van behoorlijk procesrecht] in de rechtsstrijd te betrekken.’ Het niet in kennisstellen van het uitoefenen van de bevoegdheden door de inspecteur aan belastingplichtige, had dezelfde gevolgen. De Hoge Raad oordeelde: ‘De onderzoeksbevoegdheid (…) vindt immers haar begrenzing in algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en het zorgvuldigheidsbeginsel brengt mee dat de belastingadministratie, als zij een dergelijke bevoegdheid wenst uit te oefenen, zo enigszins mogelijk de houder van het motorrijtuig [MS: belastingplichtige] in kennis zal moeten stellen van haar voornemen zijn motorrijtuig aan een onderzoek te onderwerpen.’14 Ten slotte noem ik de situatie waarin de inspecteur gegevens verkrijgt zonder daarvoor überhaupt de bevoegdheid te hebben. Ook die gegevens kan de rechter – om die reden – terzijde schuiven.15 Douma c.s. legt bij een dergelijke handeling de relatie met misbruik van macht.16 En dat kan ook bestaan als de inspecteur onduidelijk is in welke hoedanigheid hij optreedt. 17Deze associatie lijkt mij wel te passen bij het ‘bewust’ verkrijgen van gegevens via de Belastingdienst waarover die ander niet zelfstandig kan beschikken. Het onderstreept de stelling dat de ‘bruikbaarheid’ van gegevens wordt bepaald door het bevoegdelijk verkrijgen daarvan.
In dit verband noem ik ook dat het onbevoegdelijk opleggen van een verplichting zelfs gekwalificeerd kan worden als een onrechtmatige (overheids)daad (art. 6:162 BW). De overheid kan aansprakelijk worden gesteld voor de schade die daarmee verband houdt.18 Ook kan een dergelijke gedraging gevolgen hebben voor de nalevingsbereidheid. Een verminderd vertrouwen in de toezichthouder kan daar immers van (negatieve) invloed op zijn.19
De afgeleide verantwoordelijkheid voor het handelen van andere overheidsonderdelen in de keten
De zorgvuldigheidsplicht bij het uitoefenen van de toezichtsbevoegdheden strekt verder dan alleen het ‘eigen handelen’. Uit Europese jurisprudentie valt af te leiden dat de overheid ook in horizontale verhoudingen een positieve verplichting heeft tot het waarborgen van fundamentele rechten.20 Zo is het niet behoorlijk wanneer een toezichthouder zijn bevoegdheden actief oprekt – meer bevoegdheden verkrijgt dan wettelijk is bepaald – door middel van andere toezichthouders.21 Het meeliften op de bevoegdheden van een andere toezichthouder – door andere toezichthouders gegevens te laten vergaren die zelfstandig niet wettelijk te verkrijgen zijn – wordt eveneens als niet-behoorlijk gekwalificeerd.22 Zelfs bij het spontaan verkrijgen van gegevens heeft de toezichthouder een verantwoordelijkheid ten opzichte van de gedragingen van die ander.23 Hoewel deze onderzoeksplicht veelal pas naar voren komt op het moment dat er aanwijzingen zijn van het schenden van de fundamentele rechten, heeft de toezichthouder daarin wel zijn eigen verantwoordelijkheid.24 Voor het bepalen van de grenzen ervan kan aansluiting worden gevonden bij het gebruik (door anderen) van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.25 De Belastingdienst kan alleen bewijs gebruiken dat hij ook zelf had kunnen verkrijgen en waarbij de fundamentele rechten van belanghebbende gerespecteerd worden.26 De vraag naar het rechtmatig gebruik kunnen maken van fiscaal exclusief bewijs door een toezichthouder komt hier naar voren: de toezichthouder kan daar immers niet zelf – op grond van eigen bevoegdheden – over beschikken. Moet dat worden uitgesloten? En is er onderscheid naar de verschillende handhavingssferen?
Beperkte uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs in de strafrechtelijke handhavingssfeer
In het strafrecht vindt bij onrechtmatig verkregen bewijs overigens niet altijd uitsluiting plaats.27 Het is de rechter die, tenzij de rechtsgevolgen expliciet uit de wet blijken, moet beoordelen of aan een vormverzuim gevolgen moeten worden verbonden, en zo ja, welke. Daarvan zijn onder andere van belang: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt (art. 359a Sv).28 Uitsluiting van bewijs vindt plaats wanneer een belangrijk (strafrechtelijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate wordt geschonden.29 Een schending van het grondrechtelijk beginsel op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer vormt niet zonder meer een aanzienlijke schending van een rechtsbeginsel dat sprake is van een zo ingrijpende inbreuk op een grondrecht van verdachte dat het noodzakelijk is om het bewijs uit te sluiten.30
Het aantasten van fundamentele belangen zoals dat met het beschermen van het professionele verschoningsrecht wordt gediend, heeft bewijsuitsluiting tot gevolg.31 Dit is een rechtsstatelijke waarborg als middel om ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden met zeer ingrijpende inbreuken op de grondrechten van betrokkenen.32
Het onrechtmatig verkregen bewijs in de fiscaal rechtelijke handhavingssferen
Ook in de fiscale sfeer kan sprake zijn van verdragsrechtelijke toepassing van het recht op een behoorlijk proces (in het licht van art. 6 EVRM). Hierbij kan gedacht worden aan de handhavingssfeer van de bestuursrechtelijke boete voor fiscale overtredingen. De beperkingen in het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs is dan, vanwege het sanctionele karakter, overeenkomstig de strafrechtelijke sfeer, en uitsluiting van bewijs kan in het kader van de waarborgen op een behoorlijk proces, plaatsvinden.33 Voor de uitvoerende handhavingssfeer van belastingheffing is daarentegen geen sprake van deze verdragsrechtelijke waarborgen. Onrechtmatig verkregen bewijs noopt wat dat betreft niet direct tot uitsluiting, maar dat kan wel het geval zijn. De bewijsuitsluiting kan volgens de criteria van art. 359a Sv (HR 30 maart 2004, LJN:AM2533, NJ2004/376) ook daarbuiten worden toegepast.34 De Hoge Raad geeft aan dat het uitsluiten van bewijs buiten art. 359a Sv slechts in uitzonderlijke gevallen kan plaatsvinden. In de schaars beschikbare fiscale jurisprudentie omtrent dergelijke bewijsuitsluiting is een analogie te zien.35
Voor fiscale toepassing van strafrechtelijk uitgesloten bewijs heeft de Hoge Raad een ‘eigen’ kader gegeven wat erop neer komt, dat dat gebruik van dergelijk bewijs door de inspecteur slechts dan niet is toegestaan, indien het bewijs is verkregen op een wijze die ‘zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht’, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.36
Dit kader dat aanvankelijk gegeven was voor het gebruik van strafrechtelijk (uitgesloten) bewijs, kan niet alleen op dat vlak worden toegepast, maar kan volgens lagere rechtspraak ook voor bewijs dat de overheid zelfstandig – onbevoegdelijk – heeft verkregen.37 Het zogenaamde ‘zozeer indruist’-criterium uit BNB 1992/306 geldt als algemene regel voor het uitsluiten van bewijs in belastinggeschillen, voorzover art. 6 EVRM niet daartoe dwingt.38 Bewijs verkregen in strijd met het fundamentele recht van verschoning, werd fiscaal uitgesloten.39 Het was eveneens niet geoorloofd om bewijs te gebruiken dat door een ander verkregen is, waarbij het (fundamentele) huisrecht is geschonden.40 De Belastingdienst dient – op een voor de rechter transparante wijze – het belang van een juiste belastingheffing en bestrijding van belastingontwijking af te wegen tegen het belang van een zuiver rechtsstatelijk, normconform handelen van de Staat: dit moet plaats vinden volgens de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.41 En wanneer dat niet afdoende is gebeurd, of niet blijkt, is dat voor rekening en risico van de Belastingdienst. Het bewijsmateriaal wordt dan uitgesloten. De verantwoordelijkheid van de Staat komt daarin duidelijk naar voren. Dus voor zowel de Belastingdienst als de toezichthouder geldt de eis van belangenafweging.
De kern eis voor het toezicht: behoorlijk handelen
Het gebruik van bewijs in de fiscale sfeer wordt dan ook met name bepaald door de beginselen van behoorlijk bestuur. Wat wel duidelijk is, is dat de Belastingdienst niet alleen de belangen moet afwegen maar – desgevraagd – de belanghebbende (art. 7:4 Awb) danwel de rechter (art. 8:42 Awb) daar inzage in moet kunnen geven. Het niet daaraan (kunnen) voldoen is voor risico van de inspecteur (art. 8:31 Awb).42
De uitgangspunt voor het uitsluiten van bewijs vind ik ook bij andere toezichthouders.43 Het verkrijgen van inlichtingen zonder de bevoegdheid daartoe te hebben – gepaard gaande met een verplichte inmenging in het persoonlijke domein – wordt gekwalificeerd als onrechtmatig verkregen bewijs.44 Handelingen van een toezichthouder kunnen tot uitsluiting van bewijs leiden.45 Het gebruik ervan druist zozeer in tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus de Centrale Raad van Beroep.46 Het bestuursrechtelijk uitsluiten van bewijs is uitzonderlijk.47 Gebreken aan een machtiging voor het binnentreden van een woning hoeft daar niet toe te leiden.48 Gegevens verkregen bij een onbevoegde doorzoeking wel (art. 12 Gw).49 Dit geldt ook voor verkregen bewijs vanuit een onrechtmatige etnische profilering wel (art. 1 Gw).50 Het beginsel voor uitsluiten van bewijs geldt met name voor toepassing binnen de sanctionele handhavingssferen. Maar dat is niet altijd op voorhand duidelijk.
Aan het gebruik van bewijs gelden zware eisen omtrent de herkomst 51 De vraag kan worden gesteld in welke mate inzage in de belangenafweging kan worden verstrekt. De toezichthouder beschikt namelijk niet over het onderliggende dossier van de Belastingdienst. En het ter inzage verstrekken van dat dossier beperkt zich door de wettelijke geheimhoudingsplicht (art. 67 AWR). Het antwoord op de vraag of sprake is van een behoorlijk proces (ex art. 6 EVRM) is daardoor niet voor alle situaties te geven.52 Daarbij komt dat voor de onderscheiden handhavingssferen sprake kan zijn van andere – van tijd en situatie afhankelijke – belangen. De toepassing van gedeelde gegevens staat daarmee niet op voorhand vast.
Het rechtmatig handelen tussen bestuursorganen
Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie kan worden afgeleid dat in horizontale verhoudingen het zorgvuldig uitoefenen van de bestuursbevoegdheden eveneens wordt bepaald door de eigen belangenafweging van de publieke en individuele waarden. Vanzelfsprekend dient de onderlinge gegevensverstrekking eveneens rechtmatig te geschieden vanuit een wettelijke grondslag en noodzaak. Gegevens die de ene toezichthouder verkrijgt van de andere toezichthouder zonder wettelijke basis, is in strijd met de fundamentele rechten van de mens.53 De belangenafweging die bij wettelijke bepaling aanwezig wordt geacht, geldt als voorwaarde voor het uitwisselen van gegevens.54
Bij het ‘vorderen’ van gegevens bij de Belastingdienst door een toezichthouder – al dan niet met toepassing van een convenant of toepassing van art. 43c van de Uitv. reg. AWR – kan sprake zijn van een inbreuk op de privacy. Een dergelijke inbreuk is alleen toegestaan indien die bij wet is voorzien.55 Een algemene taakomschrijving is niet voldoende.56 Het verstrekken van gegevens op basis van een individuele ontheffing van de geheimhoudingsplicht dan wel een structurele ontheffing moet hand in hand gaan met een wettelijke grondslag voor het opvragen van gegevens door die andere toezichthouder. Dit gaat tevens gepaard met een adequate rechtsbescherming. Het is anders niet mogelijk om de rechtmatigheid van het optreden door de partijen afzonderlijk of gezamenlijk vast te stellen.
Het beperkt gebruik van gegevens in horizontale (overheids)verhoudingen
Wanneer een toezichthouder gegevens bij de Belastingdienst opvraagt zonder wettelijke grondslag, dan handelt hij in strijd met het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van het privé leven.57 De signaleringen die op informatie berusten waarover de inspecteur beschikt zonder de daarvoor vereiste wettelijke grondslag en als resultaat van een systematische inbreuk op art. 8 EVRM, kunnen niet worden gebruikt voor de belastingheffing, zo besliste de Hoge Raad.58 Dit zal voor andere toezichthouders niet anders zijn. De inmenging moet ‘bij of krachtens wet’ zijn bepaald en wel een wet in formele zin die een voldoende precieze wettelijke grondslag en rechtsbescherming oplevert. Gegevens verkregen zonder die grondslag worden verwijderd.59
Het respecteren van de fundamentele beginselen kan als algemeen criterium worden beschouwd voor een zorgvuldig handelende toezichthouder. Aan de beslissing dat het delen van toezichtgegevens ‘noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een ander bestuursorgaan’ gaat de hiervoor genoemde belangenafweging vooraf. Het delen van toezichtgegevens gaat gepaard met een belangenafweging vanuit het perspectief van de beoogde ontvanger. En dat belang zal in beginsel verenigbaar moeten zijn met het doelgebonden gebruik van de fiscale gegevens.
Dat vormt mijn zevende en laatste kaderstellende factor.
De zorgvuldige belangenafweging, die met het kunnen uitoefenen van bevoegdheden gepaard gaat, is tijd- en situatieafhankelijk en doelgericht op een bepaalde maatschappelijke noodzaak: de uitkomst is aan dat doel gebonden.
De toezichthouder moet, bij het verkrijgen van gegevens bij de Belastingdienst dan wel over wettelijke bevoegdheden beschikken die gegevens op te kunnen vragen.60 Het model voor informatiegaring is dan ook onverkort van toepassing voor die andere toezichthouder. Bij het delen van gegevens ligt de belangenafweging echter niet bij de betreffende burger of dat bedrijf, maar bij de Belastingdienst. Maar dat ontslaat hem niet van zijn verplichting die belangen zorgvuldig af te wegen.