Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.6.3.3
16.6.3.3 Omkering bij verzuimboetes en de onschuldpresumptie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940337:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij hoeft bovendien niet de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ te worden gehaald, zie paragraaf 13.3.1.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 114-116, EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25.
Zie daaromtrent nader paragraaf 16.6.3.4 hierna.
Als de omkering is gegrond op een informatiebeschikking, kan de belastingplichtige in de procedure tegen de aanslag bepaalde standpunten bovendien opnieuw inbrengen, zie paragraaf 7.4.4.3.2 en paragraaf 7.4.6.2.2.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.2.2.2.
De Hoge Raad acht een mogelijk beroep op AVAS als perifere stelling voldoende in lijn met de onschuldpresumptie.
Zie paragraaf 16.5.3.3.
Wel moet die schuld dan (tevens) op het begaan van het kale beboetbare feit (het betreffende verzuim) zijn gericht. De geobjectiveerde bewustheid ziet in eerste instantie immers op aangiftefouten. De verzuimboetes van art. 67a en art. 67b AWR sluiten daar het dichtst op aan. Zie ook paragraaf 16.5.3.3.
In paragraaf 16.5.5 ben ik ingegaan op de invloed van de omkering op het bewijs bij verzuimboetes. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over de doorwerking van de omkering, die alleen ziet op vergrijpboetes, heb ik afgeleid dat voor verzuimboetes op dit punt naar mijn mening dezelfde regels gelden als voor vergrijpboetes. Ook bij verzuimboetes mag de omkering daarom niet doorwerken naar het bewijs van het beboetbare feit (de centrale stellingen). Ik ga ervan uit dat de inspecteur dus in ieder geval het begaan van het kale beboetbare feit afzonderlijk moet bewijzen. Dat is uiteraard – net als bij vergrijpboetes – in lijn met de onschuldpresumptie.
De jurisprudentie van het EHRM inzake schuldneutrale delicten (zoals verzuimboetes) lijkt overigens ruimte te bieden voor een meer soepele opvatting. De rechtstreekse doorwerking van een onder omkering vastgesteld bedrag aan heffing naar het bewijs van het kale beboetbare feit is onder omstandigheden toegestaan.1 Uit de arresten Västberga Taxi en Passet volgt immers dat het EHRM een omkering van de bewijslast op basis van een wettelijk vermoeden niet per se in strijd acht met het vermoeden van onschuld.2 Een zware (tegen)bewijspositie is dan ook niet op voorhand ontoelaatbaar, mits de boeteling maar voldoende verdedigingsmogelijkheden heeft (zoals de gelegenheid om tegenbewijs te leveren) en de rechter het bewijs zelfstandig beoordeelt. Naar mijn smaak voldoet het Nederlandse stelsel op zichzelf aan deze eisen. De boeteling kan immers – zij het naar een verzwaarde gradatie3 – tegenbewijs leveren. Gaat het om categorie II-triggers, dan moet de inspecteur de (vermeende) schending van een informatieverplichting eerst vastleggen in een informatiebeschikking, waartegen afzonderlijk bezwaar en beroep kan worden ingediend. Ook tegen de aanslag waarin de omkering is begrepen, staat bezwaar en beroep open.4 Dat betekent dat de doorwerking van de omkering bij verzuimboetes bij het EHRM vermoedelijk niet snel op problemen zal stuiten.
In mijn optiek is bij verzuimboetes op grond van het EHRM-arrest Salabiaku ook het afzonderlijke bewijs van de aanwezigheid van ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ vereist.5 De Hoge Raad erkent een dergelijk impliciet schuldverband echter niet, waardoor het bewijs dat de inspecteur moet leveren, in zijn opvatting beperkt kan blijven tot het kale beboetbare feit.6 Het voorgaande geldt ook in gevallen waarin de omkering is toegepast. In dat kader kan de geobjectiveerde bewustheid, zoals die is vereist voor het bewijs van de categorie I-trigger wegens aanzienlijke inhoudelijke fouten (het niet doen van de vereiste aangifte), van pas komen. In die geobjectiveerde bewustheid ligt immers steeds de aanwezigheid van enige mate van verwijtbaarheid (en dus de afwezigheid van AVAS) besloten. Anders dan bij vergrijpboetes7 is bij verzuimboetes ook een geringe mate van schuld reeds voldoende. Het bewijs van de geobjectiveerde bewustheid kan aldus tevens het bewijs van de voor de verzuimboete vereiste schuld (‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’) opleveren.8 Wel moet de aanwezigheid van die schuld dan ‘beyond reasonable doubt’ zijn.