Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.6.3.1
16.6.3.1 Toetsing van de jurisprudentie van de Hoge Raad
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940664:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Feteris 2002, p. 368 en p. 373, alsmede de vele verwijzingen in noot 81 op p. 373-374. Overigens lijkt Feteris later wat milder in zijn oordeel. Hij schrijft (Feteris 2007, p. 317): ‘In de meeste gevallen zal het EHRM dit waarschijnlijk ook aanvaarden (…)’. Verderop (op dezelfde pagina) blijkt dat hij echter nog steeds van mening is dat de omkering bij boetes achterwege moet blijven, althans ‘voor zover de omkering (…) afwijkt van wat men als redelijk kan beschouwen’. Zie voorts Koopman 1996, p. 206-207 (ten tijde van de herziening van het boeterecht zoals dat in 1998 in werking is getreden), alsmede A-G Wattel in zijn Conclusie bij HR 27 juni 2001, BNB 2002/27 (met name punt 5.24).
Noot bij HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, punt 3 (i) en (iv). In wat meer neutrale termen signaleerde Elk in zijn Commentaar bij het arrest in NTFR 2008/157 hetzelfde.
In de wat oudere literatuur werd op grond van het arrest Passet (waaromtrent nader paragraaf 9.3.2.2.4) wel de mogelijkheid opengelaten dat het EHRM zou toestaan dat de omkering van de bewijslast doorwerkt naar het bewijs van het kale beboetbare feit, zie Feteris 2002, p. 371-372 en de verwijzingen aldaar.
Zie paragraaf 16.5.3.1.
Aldus ook Møller 2008, par. 5. Zie voorts paragraaf 16.5.3 en paragraaf 16.6.2.
In het vervolg van paragraaf 16.6 passeren deze arresten de revue. Zie ook paragraaf 9.3.2.2.
De opvatting dat de doorwerking van de omkering naar de boete in het licht van het EVRM mogelijk onaanvaardbaar is, werd vóór het wijzen van het arrest BNB 2008/165 breed gedragen.1 In zijn noot bij dat arrest wees De Bont er (mijns inziens terecht) op dat de Hoge Raad met geen woord had gerept over de verdragswaarborgen uit het EVRM.2 In verband met het ingrijpende karakter van de omkering had dat wel voor de hand gelegen. Met de KBLux-arresten uit 2011 heeft de Hoge Raad naar mijn mening echter, onder expliciete verwijzing naar de onschuldpresumptie, voldoende duidelijk gemaakt dat de onder omkering bepaalde heffing niet mag doorwerken naar het bewijs van de centrale stellingen. Ten aanzien van het bewijs van het kale beboetbare feit en de schuldgradatie kan er gelet op deze jurisprudentie van de Hoge Raad dus geen strijd meer bestaan met art. 6 EVRM.3
Uitgaande van het strikte onderscheid dat de Hoge Raad heeft gemaakt tussen het beboetbare feit enerzijds en de boetegrondslag anderzijds, is ook het rechtsoordeel uit BNB 2008/165 op zichzelf houdbaar in het licht van art. 6 EVRM. In deze opvatting is de doorwerking van de omvang van de heffing naar de boetegrondslag immers een zuivere strafmaatkwestie. Die doorwerking levert dan op zichzelf geen problemen op, aangezien de onschuldpresumptie zich niet uitstrekt tot de strafmaat.
Dat laat onverlet dat ik van mening ben dat de grondslagkoppeling meebrengt dat de boetegrondslag een onderdeel is geworden van de delictsomschrijving en dus van de centrale stellingen.4 Dit betekent dat de inspecteur de boetegrondslag ook in die hoedanigheid (‘beyond reasonable doubt’) moet bewijzen en dat daarbij de onschuldpresumptie geldt. In mijn optiek verhindert de onschuldpresumptie de doorwerking naar de boetegrondslag. De jurisprudentie van de Hoge Raad is hiermee echter niet in overeenstemming.5 Ik houd er dan ook terdege rekening mee, dat het EHRM de doorwerking van de omkering – althans voor zover het vergrijpboetes betreft – strijdig zal achten met de onschuldpresumptie. Geheel zeker is dat overigens niet: in de relevante arresten van het EHRM ging het in wezen steeds om de doorwerking van de trigger voor de omkering naar het bewijs van het kale beboetbare feit.6