Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.1:6.4.1 Recidivisten en veelplegers
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.1
6.4.1 Recidivisten en veelplegers
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200741:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Terwijl onder een deel van de politiemensen en officieren van justitie onvrede bestaat over de wijze waarop met name veelplegers worden gestraft in Nederland, denken de meeste geïnterviewde rechters hier anders over. Rechters vermoeden soms dat er negatieve beeldvorming heerst over de aan recidivisten opgelegde straffen. Ten eerste kunnen er in hun ogen goede redenen zijn om, ondanks dat een verdachte weer opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd, geen hoge onvoorwaardelijke straf op te leggen. Een verslaving bijvoorbeeld geeft een ziektebeeld waarin een terugval kan voorkomen, waardoor het optreden van een enkel strafbaar feit soms weinig zegt over hoe het met de delinquent gaat. Deze aspecten worden vaak door de reclassering belicht en rechters kunnen die in hun beoordeling betrekken. De in hun ogen toegenomen psychiatrische problemen van delinquenten, geven volgens rechters onterecht de indruk dat rechters overdreven mild zijn.
‘Er zijn reclasseringsrapporten die onderbouwd aangeven waarom een onvoorwaardelijke straf niet verstandig is. Vanwege een traject waarmee men echt moet doorgaan, omdat het anders helemaal misloopt. Het kan zijn dat je het reclasseringsadvies volgt. Dan wordt afgeweken van het normale stramien. Je ziet de combinatie van strafbare feiten en psychiatrische problematiek ook toenemen.’
Vertekening treedt volgens rechters ook op wanneer meerdere (lang lopende) strafzaken tegelijkertijd spelen. Wanneer één of meerdere daarvan nog niet zijn voorgekomen bij de rechter, ontstaat bij de eerstvolgende veroordeling snel het beeld van een te milde straf. Een kinderrechter:
‘[Op recidive moet met straf gereageerd worden], in beginsel ben ik het daarmee eens. Het houdt een keer op. Je bent toegesproken, gewaarschuwd en het is nou de zoveelste keer. Maar, ik onderken wel dat het niet altijd gebeurt. Vaak gaat er veel tijd voorbij. Zo kan het voorkomen dat een jongere is geschorst uit de voorlopige hechtenis en meteen rottigheid uithaalt. Dan heb je soms wel vier zaken tegelijkertijd lopen, die nog niet allemaal zijn afgerond. Als dan het vierde feit wel op zitting komt, terwijl hij nog geen stevige tik heeft gehad over de eerste drie, dan kan je je voorstellen dat voor het vierde feit niet zo hard wordt gestraft. (...) Soms lijkt minder op de recidive te worden gereageerd, maar in de praktijk gebeurt het wel.’
In gevallen van veelvoorkomende criminaliteit menen de meeste rechters niet, zoals politiemensen en sommige officieren van justitie, dat vaker onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou moeten worden of dat deze langer zou moeten zijn. Werk of school willen ze in beginsel niet verstoren; detentie wordt door veel rechters in het algemeen als nadelig gezien voor de gedragsontwikkeling van delinquenten, in het bijzonder geldt dat voor minderjarige en jeugdige delinquenten. Oorzaken van crimineel gedrag en afwijkend gedrag in de adolescentie, worden in deze visie door (hogere) straffen niet verholpen. De maatschappij zal problemen op een andere manier moeten oplossen lijkt de veronderstelling te zijn. Een kinderrechter baseert zich daarbij op (wederom) tamelijk vage beelden van wetenschappelijk onderzoek over de ontwikkeling van het brein tijdens de adolescentie:
‘Vaak hebben we jongeren (...) die laag begaafd zijn en die ook met de nodige andere handicaps te kampen hebben. Lage begaafdheid is een valkuil voor de mate van beïnvloedbaarheid [om strafbare feiten te gaan plegen] en natuurlijk is het lastiger om mee te doen op de sociale ladder. Verder zie je dat werk, wonen en een wijf ontzettend belangrijk zijn om recidive te voorkomen. Jonge jongens hebben dat allemaal nog niet. Tegen de tijd dat dat beter begint te gaan, stoppen ze vaak gelukkig [met het plegen van strafbare feiten]. Met name het jongensbrein wordt pas bij 24 jaar een beetje aanspreekbaar, blijkt uit onderzoek. Meisjes zijn stipter. (...) Ja, niemand wil ze opsluiten want dan krijgen ze misschien nog wel slechtere ideeën.’
Hoewel gevangenisstraf volgens veel rechters normaalgesproken weinig bijdraagt aan ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, willen zij na herhaaldelijke recidive soms wel (langdurige) gevangenisstraf in overweging nemen: ‘als er niks anders op zit dan [de verdachte] buiten de samenleving te zetten’. Rechters vinden het inschatten van de intenties en kansen van delinquenten om hun gedrag te verbeteren echter lastig en zeggen daarover in raadkameroverleg regelmatig discussie te voeren. Soms speelt een rol dat veelplegers de indruk wekken ‘de taal van de hulpverleners’ te hebben overgenomen en te misbruiken om goedwillend op de rechtbank over te komen. Enkele rechters menen daarbij vaak geen goed beeld te krijgen van de verdachte, door een gebrek aan grondigheid of ‘naïviteit’ van (onder meer) de reclassering en houden zo maar weinig houvast over voor het bepalen van de sanctie.
‘Bij veelplegers is er vaak veel ruis op de lijn. Doordat ze zijn ingebed bij de reclassering en in allerlei hulp. Die zeggen dan: “We zijn nu voor het eerst in gesprek en hij wil meewerken.” Laten we het dan nog eens proberen, denk je dan. Daardoor ben je soms als rechter ook aan het knoeien.’
Soms zou volgens een rechter in de rapportages van de reclassering eenzijdig worden uitgegaan van het verhaal van de verdachte, terwijl in andere gevallen een beter beeld wordt geschetst doordat bijvoorbeeld de huisarts, de wijkagent of anderen erbij zijn betrokken. Adviezen met betrekking tot de straf die op deze rapportages zijn gebaseerd zouden door rechters (ook in ‘meervoudige’ zaken) soms genegeerd worden.
‘Ik vind het vaak heel soft, te vriendelijk en heel erg vanuit de verdachte gedacht. De arme jongen heeft het moeilijk. Misschien wel de rol van de reclassering om die kant te belichten, maar ik vind het vaak eenzijdig en te mild. Ik vind ook dat ik vaak niet goed word voorgelicht. Het verschilt heel erg. Dan hebben ze een gesprek of twee gehad met zo’n jongen en dat krijg je dan terug. Soms lopen ze allerlei dingen door, criminogene factoren, opleiding, baan. Dan wordt wel gesproken met de huisarts, de wijkagent en met een partner of iemand anders. Minder vanuit de verdachte zelf laten komen, dat vind ik goed.’
Een rechter meent dat het kan lijken alsof aansluiten bij het advies van de reclassering betekent dat ‘de verdachte op zijn blauwe ogen wordt geloofd’. Daarbij speelt ook een rol dat de politierechter meestal aan het eind van de zitting gelijk uitspraak doet en dan niet van de verdachte vraagt om zijn uitspraken over bijvoorbeeld schoolgang of het volgen van een hulpverleningstraject te onderbouwen. Een rechter meent dat ze daar ‘kritischer op zou kunnen zijn’. Echter, met andere rechters hecht zij er ook aan onbevooroordeeld te zijn en serieus te nemen wat de verdachte tijdens de zitting aanvoert.
‘Ja, er wordt wel ingetrapt en je zou daar kritischer op kunnen zijn. Maar je moet er ook van uit gaat dat [verdachten] normale mensen zijn die grotendeels een normaal leven leiden en waarom zou het niet waar kunnen zijn wat ze vertellen? Er wordt gewoon serieus geluisterd naar wat verdachte zegt en dat wordt meegenomen bij de strafmaat. [De rechter-commissaris] kan de verdachte vasthouden in voorlopige hechtenis en de advocaat stukken laten faxen waaruit blijkt dat [verdachte] onderwijs volgt. Maar in het zittingsbedrijf werkt dat (…) anders.’
‘Wat we hier heel vaak doen is zeggen: “Mooi verhaal, het zou kunnen kloppen, maar we gaan je nu vasthouden en je advocaat kan stukken faxen waaruit blijkt waar je woont en waar je onderwijs volgt.” Dat soort stukken, dat doen wij heel vaak hier. Maar wij zitten hier in een fase, zeker mensen met een blanco strafblad: iemand veertien dagen vastzetten, is nogal wat. Terwijl het misschien hartstikke waar is wat ze vertellen. Er zit ook iets in van dat je ervan uitgaat dat het normale mensen zijn die ook een normaal leven leiden en waarom zou het niet waar kunnen zijn wat ze vertellen? Wat de verdachte zegt wordt heel serieus genomen. (…) Er wordt dus ook wel ingetrapt [door rechters] en je zou daar kritischer in kunnen zijn.’
Sommige rechters vinden dat te weinig sprake is van een ‘opbouwende schaal’ bij recidive. Zoals al bleek uit het voorgaande menen de meeste rechters dat recidive voldoende verwerkt is in de opgelegde straffen. Ook oplegging van de ISD-maatregel wordt in dit verband door rechters genoemd. Daarbij wijzen ze erop dat veelplegers tegenwoordig veel vaker in voorlopige hechtenis gehouden worden dan vroeger. Tegelijkertijd denken rechters dat voor de problematiek van veelplegers het strafrecht vaak geen verdere oplossingen kan bieden.
‘[Veelplegers] komen gewoon weer terug op straat en dat is het lastige: ik begrijp dat [politiemensen] een effectieve aanpak van veelplegers willen, maar uiteindelijk zou dat dan neerkomen op een iets hogere straf. Er is niet zoveel ruimte, want je hebt het vaak over bagateldelicten. Over diefstalletjes, vernieling op straat, huisvredebreuk.’
Overigens menen ook rechters wel dat de strafrechtspleging soms neerkomt op ‘dweilen met de kraan open’. Zo spreekt een rechter over ervaren onmacht (‘een circus van onmacht’) in gevallen van hardnekkige recidive.
‘Ik denk niet dat criminelen, hetzij minderjarig of volwassen, beter worden van opsluiten in de gevangenis. Wat wel de oplossing is weet ik niet, want die heb ik ook niet, maar dat maakt het denk ik zo lastig. Ze leren alleen maar meer trucjes in de gevangenis. Ik ben me er ook van bewust dat een werkstraf vaak niet helpt. Een beetje schoffelen in het park, dat helpt ook niet. Maar ik weet niet wat dan wel werkt als straf.’
‘Kaal straffen zal niet veel helpen. Je zal veel meer behandeling en begeleiding moeten geven. Dat is misschien niet wat politieagenten willen horen, die willen dat het direct ophoudt. Er zijn natuurlijk altijd grenzen aan wat er mogelijk is, ook financieel, maar ik denk eerder dat je meer in behandelen en begeleiden zou moeten investeren bij de groep veelplegers, dan in hogere straffen.’
Zoals politiemensen en officieren van justitie regelmatig uiten beperkt vertrouwen te hebben in mogelijkheden tot ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, blijken rechters in het algemeen sceptischer over effecten van de strafrechtspleging. Zo merkt een rechter op dat zij niet gelooft in het effect van generale preventie door afschrikking met behulp van straffen: ‘Ik heb niet zo snel dat er een voorbeeld gesteld moet worden of “dat zal de mensen wel leren”. Ik geloof niet dat het zo werkt.’
Vaak wijzen rechters, net als officieren van justitie, op delinquenten die steeds opnieuw ‘lichte’ strafbare feiten plegen en door middel van de ISD-maatregel relatief lang gevangen gehouden kunnen worden. Hoewel ook hiermee soms geen duurzame oplossing tegen criminaliteit en overlast zou worden geboden, zien veel rechters de ISD-maatregel en de wijze waarop deze thans wordt toegepast wel als een noodzakelijk en goed antwoord op de grote maatschappelijke overlast van veelplegers. Sommigen geven expliciet aan niet terughoudend te zijn de ISD-maatregel voor bepaalde delinquenten meerdere keren in te stellen:
‘We hebben de ISD voor eikels die maar bezig blijven met winkeldiefstallen. Je weet dat maar een deel van de feiten die ze plegen aan het licht komt. Die gooi je in de ISD en nog een keer, en een paar jaar later een derde keer.’
In het verlengde hiervan wijzen rechters op de veranderende opvatting binnen de rechtspraak over de ISD-maatregel. In het vorige hoofdstuk gaven officieren van justitie dezelfde ontwikkeling aan. Na aanvankelijk (grote) terughoudendheid onder rechters om de ISD-maatregel op te leggen, zou hierover tegenwoordig positiever worden gedacht: ‘Tegenwoordig heb ik het idee, wordt de ISD best wel snel toegepast. (…) Je ziet een toename in het aantal opleggingen, maar je hebt het vaak over onverbeterlijke recidivisten.’
Tijdens de interviews met rechters komt de opvatting dat terughoudend moet worden omgegaan met de ISD-maatregel niet naar voren. Sommigen beschouwen zichzelf expliciet als voorstander of ‘fan’ van de ISD-maatregel. Tegelijkertijd hebben rechters vaak bescheiden verwachtingen van het preventieve effect van de ISD-maatregel: ‘De ISD-klanten, daar zijn veel zielige mensen bij die niet anders meer kunnen. Die hebben een verslavingsziekte. Hun wiegje stond op de verkeerde plek.’ Wel is volgens sommigen verbetering van het ISD-traject mogelijk:
‘Er is daar nog wel wat aan te verbeteren naar mijn idee. Wat ik hier terug hoor van de gevangenen en hun advocaten is dat ze één jaar echt vastzitten en daarna zit men zogenaamd in een programma. Waarbij ze tussen allemaal andere gebruikers worden neergezet, maar dat schiet allemaal niet op.’
Als het klopt dat rechters positiever zijn geworden over de ISD, dan is het lastig om daarvoor een duidelijke verklaring aan te geven. Tijdens de interviews lijken rechters de ISD-maatregel verschillend op te vatten. De opvatting van sommige rechters over de ISD-maatregel lijkt een vorm van punitief pragmatisme die afwijkt van de verder zo dominante opvatting over ‘positieve gedragsbeïnvloeding’: ‘Ik ben fan van de ISD. Ik zie wel de downside ervan voor het individu, maar ik zie vooral de upside voor de samenleving. Het moet ook een keer klaar zijn, dat meen ik werkelijk.’ Er zou een betere oplossing moeten zijn, maar deze lijkt niet voorhanden. Er zijn ook rechters die de bijdrage van de ISD-maatregel aan het voorkomen van recidive benadrukken, maar voor velen is het vooral een methode om delinquenten langdurig vast te zetten, los van de gebruikelijke strafopbouw bij lichte strafbare feiten.
‘Ja, [je hebt het incapacitatie effect], maar er is tegelijkertijd wel een bepaald regime dat rechtvaardigt dat je de ISD oplegt. Omdat je mensen wel kansen geeft. Dat is natuurlijk anders dan dat je ze in de gevangenis zet en na twee jaar vrijlaat. Er zijn ook zeker mensen die door de ISD wel veranderen en in ieder geval plegen ze een stuk minder feiten. Tegelijkertijd vind ik het wel lastig. Sinds ik hier ben komen werken en veel verslaafden zie, kom ik steeds meer tot het inzicht: dit leven kies je niet. Zeker de ISD-klanten zijn vaak zielige mensen die niet anders kunnen.’
‘Voor veelplegers hebben we de ISD. Daarmee kan je voor het stelen van een pak koffie twee jaar achter de deur gaan. De ISD is niet voor niks bedacht, maar juist om iemand wel weg te kunnen zetten en de samenleving langer te beschermen.’
Het verbaast één van de geïnterviewde rechters hoe vaak de ISD-maatregel wordt opgelegd. Volgens hem komt dat door de verschillende elementen die erin worden verenigd. In zijn ogen kan zowel een rechter die de nadruk legt op het voorkomen van recidive, als een rechter die (zoals hij) een voorkeur heeft voor hogere straffen, zich erin vinden. Alsof verschillende strafdoelen in elkaar overlopen in deze maatregel.
‘Er komen alleen maar stevige eisen op tafel in zaken of als de pers er bovenop zit of als het om heel ernstige feiten gaat, dan is opeens zonneklaar dat er een zware straf moet komen. Opmerkelijk vind ik, is het niet zo’n superzaak, dan zijn ook officieren van justitie zeer afgepast. Voeg daar nog een snufje rechter aan toe en dan blijft er eigenlijk niks van de strafmaat over. (…) We houden ons bezig met gerommel in de marge, een maandje meer of minder voorwaardelijke straf, 200 of 240 uur werkstraf. Dat soort discussies hebben we. Eigenlijk absurd. Daarom is de ISD zo’n leuke maatregel, want dat is pats boem: twee jaar. [Als ISD-maatregel] hebben we [daar] geen enkele moeite mee.’
Net als voor politiemensen en officieren van justitie geldt ook voor rechters dat een groep veelplegers door hen als ‘onverbeterlijk’ wordt ervaren. Het is in het belang van de samenleving tegen deze groep beschermd te worden, zo menen meerdere rechters. Echter, rechters hebben vaak het gevoel dat het OM delinquenten te vroeg afschrijft. Zij willen, wanneer zij zelf kansen op gedragsverandering zien, een overtuigend plan gepresenteerd krijgen voor de behandeling tijdens de ISD-maatregel.
‘Er is een categorie [delinquenten] waarbij ik denk, hier moet wel wat extra werk van worden gemaakt. (…) Ik weet dat sommige collega’s dan naar het plan vragen en dat doe ik zelf ook. Zit er een gedachte achter? Als er wordt behandeld en er zijn contacten gelegd met een instelling, dan krijg ik er meer fiducie in dan wanneer het [alleen] kaal ophokken is. Als iemand aan zijn tweede ISD-maatregel toe is, omdat hij een zorgmijder is en gewoon niks wil, [dan neem ik er wel genoegen mee als er geen plan is] en leg ik de ISD zonder enig probleem op.’
In tegenstelling tot sommige politiemensen en officieren van justitie, wordt door rechters niet gepleit voor wettelijke verruiming van de mogelijkheden van de ISD-maatregel. Wel blijken ze met elkaar van mening te verschillen over de eisen die aan toepassing van de ISD-maatregel gesteld moeten worden. ‘Het blijft een verschilpunt tussen rechters’, zegt een rechter daarover. Zo lijken ze onderling verschillende eisen te stellen aan de invulling van het ISD-traject zelf.
‘Als de ISD-maatregel neerkomt op alleen tuchtigen, krijg je bij collega’s vaak de reactie dat zoiets belachelijk is. Dan zet ik me vaak schrap en benadruk dat er twee aspecten aan de ISD-maatregel zitten: kijken naar iemand, maar ook de samenleving beveiligen. Dit speelt, deze discussies worden gevoerd.’
Ook blijken rechters verschillend aan te kijken tegen de eisen die aan oplegging van de ISD-maatregel moeten worden gesteld. Zo wordt bijvoorbeeld als eis genoemd dat ‘eerder moet zijn geprobeerd om resultaat te boeken’. Bij sommige rechters lijken deze eisen voort te komen uit twijfel aan de ISD-maatregel als duurzame bijdrage aan de resocialisatie van delinquenten. Eerder worden de persoonlijke problemen van de delinquent verergerd, zo is dan de verwachting.
‘Je komt [wettelijk gezien] al snel aan een ISD-traject. De voorwaarden kan je zo opzoeken. Als iemand delicten blijft plegen, kom je zeker aan de ISD toe. Je hoeft niet aan veel voorwaarden te voldoen, alleen [ik vind] er moet wel het één en ander geprobeerd zijn. (…) Heeft de reclassering het al een keer geprobeerd met [de verdachte]? Is al eens geprobeerd om hem naar de GGZ te sturen? Is al eens geprobeerd op een minder ingrijpende manier hetzelfde resultaat te boeken? Daar gaat het mij om, je wilt [de delinquent] geen overlast bezorgen die niet helpt.’
‘Ik snap best dat een agent denkt, die ISD-maatregel is fijn want dan worden we niet meer gebeld en zijn we de betrokkene even kwijt. Maar ik heb soms ook moeite met een ISD-maatregel die erop neerkomt dat iemand alleen wordt opgehokt. Fijn, als maatschappij zijn we het probleem een tijdje kwijt. Maar er zijn gevallen waarvan je weet dat één keer ISD niet genoeg zal zijn. De problemen worden vaak vergroot. Als [de veroordeelde] al een kamer had, dan is hij die inmiddels kwijt. Hij heeft weer geen zorgverzekering en ik kan wel een tijd doorgaan.’
Sommige rechters zijn terughoudend oplegging van de ISD-maatregel te beschouwen als een vorm van gedwongen hulpverlening. In hun ogen is toepassing van deze maatregel vaak niet passend bij verdachten die psychische problemen hebben.
‘Ik maak onderscheid tussen de harde [berekenende] en de kleine crimineel, en die laatste is misschien wel meer dan negentig procent van de ISD-klanten. Dat zijn alcohol- en drugsverslaafden. Daklozen vaak. Mensen met psychische problemen. Dat is eigenlijk de groep waarvan ik heel vaak vind dat die niet bij het strafrecht thuishoort.’
Ook over verlenging van de ISD-maatregel bestaat verschil van (rechts) opvatting tussen rechters.
‘[Een ISD’er] kreeg zijn toetsingsmoment na een jaar en na dat jaar was eigenlijk niet zoveel gebeurd in de ISD. Het ging om een chronische alcoholist. Hij zei al een tijdje dat hij buiten weer een biertje zou gaan drinken. Het leek hem daarom wel wat om naar een passende instelling te gaan. Maar men maakte geen haast om dat te realiseren. Er waren toen collega-rechters die reageerden: “Hij zit voor het stelen van een biertje. Hij zit al bijna een jaar en wat is dit nou voor belachelijks, want ze doen niks.” Nou ja, en dus moest hij maar vrijgelaten worden. Daartegen heb ik echt moeten knokken: de ISD werkt niet en laat maar weer lopen. Je weet dat als deze man weer naar buiten gaat, dan heeft de samenleving daar meteen weer last van. (…) We hebben toen in de verlengingsbeschikking gezet dat Jantje toch in een bepaalde instelling terecht moest komen en dat we opnieuw zouden toetsen.’