Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.4:6.4.4 Opvattingen van rechters over strafdoelen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.4
6.4.4 Opvattingen van rechters over strafdoelen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200822:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kelk (2007: 177) verwoordt deze opvatting als volgt: ‘Dikwijls gaat het [in de strafrechtspleging] om een onderliggende problematiek die ofwel reeds anderszins is opgelost ofwel in zijn wezen beter langs een andere weg dan die van het strafrecht zou moeten worden opgelost.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net zoals officieren van justitie, zijn ook rechters meestal georiënteerd op een combinatie van meerdere strafdoelen. Eveneens geldt voor sommige rechters dat zij geen duidelijke voorkeur uitspreken voor bepaalde strafdoelen. Het merendeel van de geïnterviewde rechters lijkt voornamelijk op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ gericht, al geven veel (commune) strafrechters aan dat, hoewel politiemensen en officieren van justitie daar soms een ander beeld bij hebben, ook vergelding vaak wel een rol speelt in strafzaken: ‘Vergelding, daar kijken we natuurlijk altijd wel naar.’
Sommige rechters lijken het gevoel te hebben dat het ideaal van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ niet vanzelfsprekend meer is en dat ze daarvoor moeten opkomen. Niet alleen vinden zij speciale preventie en resocialisatie belangrijk en benadrukken ze deze strafdoelen meer dan vergelding, incapacitatie en afschrikking; een belangrijk element voor hen is ook de ultimum remedium-gedachte. Regelmatig wordt door rechters in dit verband gesproken over ‘grenzen van het strafrecht’ (vgl. Packer, 1968). Soms menen rechters dat niet door straf maar door middel van hulpverlening of opname in een GGZ-instelling een gedragsverandering in gang moet worden gezet. Echter, hoezeer de strafrechter dergelijke zaken ook nodig acht, hulpverlening en behandeling kunnen niet worden afgedwongen. Daarmee komt een volgens rechters zinvolle strafoplegging soms pas in zicht wanneer aan de eisen van de ISD-maatregel wordt voldaan.
‘In veel zaken waarin de ISD-maatregel nog niet in zicht is, loop je tegen de grenzen van het strafrecht aan. We hebben dan eigenlijk te maken met mensen die behandeling nodig hebben, maar dat niet willen of niet meer kunnen.’
Een opvatting die regelmatig tijdens de interviews naar voren komt is dat mensen met psychische problemen te vaak door een gebrek aan zorg met het strafrecht in aanraking komen. Gemeend wordt ook dat zij niet in het strafrecht thuishoren, omdat dit niet over de juiste instrumenten beschikt. In het verlengde hiervan ligt de soms geuite opvatting dat het strafrecht bij deze groep te snel wordt ingeroepen en dan door het OM te weinig als een ultimum remedium wordt beschouwd.1 Hieruit volgt ook dat wanneer de maatschappelijke zorg voor delinquenten te wensen overlaat, het niet aan de rechter is om daar een compensatie voor te bedenken, bijvoorbeeld in de vorm van incapacitatie door gevangenisstraf. Sommige rechters pleiten in dit verband voor meer langdurige en intensievere ‘nazorg’, waarbij de delinquent wordt geholpen problemen op te lossen en er wordt gezorgd voor onder meer huisvesting, werk en inkomen. Een rechter:
‘Op een gegeven moment moet [de delinquent] natuurlijk wel weer terug kunnen keren in de samenleving, tenzij het zulke heftige feiten zijn dat je heel lang kunt straffen. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om als iemand op de vingers is getikt, dat moet ook gewoon, ook met gevangenisstraf, om daarna iets te doen. Deze mensen aan hun lot overlaten heeft niet zoveel zin. Onderzoek wijst uit dat langdurige straffen niet het effect in zich hebben waar we op hopen, van oeh, ik wil niet nog eens de gevangenis in.’
Ook in de constatering dat in het huidige penitentiaire beleid resocialisatie een minder grote rol speelt dan vroeger, klinkt de oriëntatie van een deel van de rechters op speciale preventie door. Zij menen dat onder meer bezuinigingen de kans op succesvolle resocialisatie van (ex-)gedetineerden hebben aangetast. Ook de in hun ogen te beperkte invulling van de ISD-maatregel wordt in dit verband genoemd tijdens de interviews:
‘Waar we het meeste last van hebben zijn de bezuinigingen in de huizen van bewaring en de penitentiaire instellingen. Daardoor wordt er bijna geen programma meer aangeboden aan de jongens die gevangen zitten. Soms zitten ze 23 van de 24 uur te niksen op de cel, terwijl ik denk: ga in de tijd dat ze vastzitten zoveel mogelijk opleiding bieden zodat ze misschien na afloop van de straf wel het rechte pad op kunnen gaan. Zodra de straf erop zit, worden ze totaal aan hun lot overgelaten. Ze moeten alles zelf opstarten. Ze zijn hun huis en werk kwijt. Dat kan je vanuit de instelling in gang zetten, maar dat is niet goed geregeld. De ISD, een prachtig idee, maar mensen zitten eerst een jaar vast voordat er een begin is van een programma. Terwijl het idee was, zware verslaafden die dertig delicten per week plegen, die moet je niet vastzetten. Het heeft zin om ze van de drugs af te helpen of gecontroleerd te laten gebruiken zodat de samenleving er zo min mogelijk last van heeft. Investeer liever in goede opvangplekken, dagbesteding, maar dat is een politiek verhaal.’
In gevallen waarin rechters een hoge gevangenisstraf wel aangewezen vinden, bijvoorbeeld om aan te sluiten bij een ‘roep uit de samenleving’, gaat dit meer dan zij zouden willen ten koste van resocialisatie. Vergelding kan in hun ogen (deels) naast het doel van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ staan, zolang het penitentiair beleid daarbij aansluit. Een rechter:
‘De straffen zijn met name hoog bij levensdelicten, zware geweldsdelicten en in hele zware drugszaken. Straf heeft meerdere doelen. Het is een reactie van de samenleving op jouw stoute gedrag. Het is het feit dat jij even veilig opgeborgen zit en wij even geen last van je hebben. Maar straf moet ook een verbetereffect hebben. Dat bereik je niet door iemand 23 van de 24 uur op cel te laten sudderen, zoals ze dat nu doen. Zeker voor mensen waar psychisch wat mee aan de hand is, is dat niet goed. We zien ook steeds meer mensen die hun beveiligers slaan omdat ze totaal in de war zijn, bij gebrek aan programma. Maar dat neemt niet weg dat je er niet aan ontkomt in bepaalde gevallen een lange gevangenisstraf op te leggen.’
In gevallen van veelvoorkomende criminaliteit lijken rechters zich meer dan politiemensen en officieren van justitie met het toekomstperspectief van de delinquent bezig te houden. Daarbij zijn rechters negatiever over de vraag hoe zinvol een ‘harde aanpak’ is en is ‘positieve gedragsbeïnvloeding’ voor hen vaker het centrale doel (vgl. De Keijser, 2000: 184). Tijdens de interviews met rechters komen de achtergronden van deze opvattingen regelmatig naar voren. Zo ligt volgens een deel van de rechters binnen de huidige maatschappij te veel nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Mede als gevolg daarvan worden problemen in hun ogen onvoldoende en niet tijdig aangepakt, hetgeen een groter maatschappelijk risico op het ontstaan van crimineel gedrag betekent. Ook menen veel rechters dat samenleving en overheid te weinig een sociaal vangnet bieden en is volgens hen ook daaraan de criminaliteit deels te wijten. Een rechter noemde in dit verband zelfs het reglement van de maatschappelijke opvang als een factor die criminaliteit kan bevorderen, aangezien daklozen op grond daarvan soms de toegang wordt geweigerd.
Net als onder politiemensen en officieren van justitie, heerst ook bij een deel van de rechters de overtuiging dat voor delinquenten die veelvuldig recidiveren geen ander alternatief dan detentie overblijft. Een duidelijk verschil is echter dat onder politiemensen en officieren van justitie meer steun bestaat voor de gedachte dat incapacitatie van delinquenten een belangrijk strafdoel is, met het oog op ‘tegenhouden’ van de betreffende delinquent, die eenmaal gevangen geen criminaliteit en overlast meer kan veroorzaken. Daarbij lijken rechters, zoals eerder vermeld vaak meer oog te hebben voor mogelijk nadelige effecten van gevangenisstraf op termijn. Dit kan mogelijk verklaren dat rechters niet zijn voor uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden voor het opleggen van de ISD-maatregel.
Een klein deel van de geïnterviewde rechters lijkt in plaats van ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, meer een ‘harde aanpak’ voor te staan. Zo zeggen enkele rechters in de loop der tijd strenger te zijn geworden, waarbij ze soms cynisme bij zichzelf bespeuren. Hun vertrouwen in de goede voornemens van delinquenten, alsmede in het effect van zorg- en hulpverlening, lijkt net zoals onder een deel van de politiemensen en officieren van justitie (deels) verloren te zijn gegaan.
‘Als je langer meeloopt [als rechter] denk je sneller: het zal wel. Je wil je laatste kans, want je bent nu onder begeleiding bij [verslavingszorg]? Wat zegt het? Daar merk je een bepaald cynisme bij sommige collega’s. Ik zit er ergens tussenin op het moment. Ik ben half cynisch geworden. Je hoort de persoonlijke omstandigheden aan. Vaak presenteert de advocaat wel een plan, ook in een zaak van een veelpleger waarin eigenlijk niks te winnen valt: “Als mijn cliënt vrijkomt heb ik een woning, een begeleidingstraject klaarstaan via stichting noem maar op. Dus de cliënt wordt bij de hand genomen en het komt vanaf nu allemaal goed.” Dan zie ik dat dit in de afgelopen tien jaar al honderd keer geprobeerd is en waarom zou het nu dan wel goed gaan? Wat voor aangrijpingspunten heb ik? Wat is er nu anders dan drie maanden terug? Dan zeggen ze soms dat er een kind is geboren. Dat kan reden zijn voor een andere wending. Of ze zeggen dat ze zijn afgekickt in detentie. Dat vind ik al twijfelachtiger. Maar ja, je moet een soort aangrijpingspunt hebben om te zeggen, nu gaat het veranderen. Alleen een plan dat klaarstaat: als blijkt dat het eerder ook al is geprobeerd, dan vind ik dat twijfelachtig.’
Ook reageren rechters soms op een ervaren ‘roep uit de samenleving’ en een behoefte aan genoegdoening voor slachtoffers. In overeenstemming met veel politiemensen en een deel van de officieren van justitie vinden deze rechters vergelding een belangrijk strafdoel, op grond van morele overwegingen, maar ook omdat hierin volgens hen een fundamentele functie van de strafrechtspleging tot uitdrukking komt: het tegengaan van eigenrichting door burgers. Afschrikking is volgens sommige rechters evenzeer een fundamentele functie van het strafrecht. In voorkomende gevallen moet het duidelijk (‘expressief’) bevestigen aan welke regels men zich heeft te houden in Nederland: ‘Mensenhandel, overvallen, doodslag, daarvan moet gewoon een sterk signaal uitgaan: Als je dat doet, dan ga je jarenlang achter het gaas.’
Dat de rechter in sommige individuele zaken ‘grenzen wil stellen’ en nadruk zou willen leggen op afschrikking, kan op gespannen voet staan met de eveneens gewenste rechtsgelijkheid. Zelfs als een delinquent onwillig lijkt te zijn om zijn gedrag te verbeteren, wanneer sprake is van een ‘sterk criminele attitude’ of ‘subcultuur’, hoeft dat geen reden te zijn om de zaak substantieel anders te beoordelen. Een rechter meent dan ook dat ‘grote uitschieters’ in de strafoplegging om deze reden weinig voorkomen:
‘Je kunt [de wens om grenzen te stellen] wel wat meewegen, maar het levert niet het maatwerk op dat sommigen van de rechter willen. We dienen een heleboel beginselen: gelijke monniken, gelijke kappen; rechtszekerheid; rechtsgelijkheid; persoonlijke omstandigheden meewegen; maatwerk leveren. En dat allemaal tegelijk.’
Zoals het volgende citaat aangeeft, lijkt door rechters soms onmacht te worden ervaren, al blijkt er ook onwetendheid uit over de effecten van gevangenisstraf. De wens aan te sluiten bij de ervaren publieke opinie, kan in de ogen van sommige rechters van de gevangenisstraf een ‘noodzakelijk kwaad’ maken:
‘Ik vind het belangrijk dat de maatschappij wordt bediend. Mensen willen graag vergelding als iemand in een dronken bui iemand anders aanrijdt. Die roep is er en we bestraffen zwaarder om die reden. De executie [van de opgelegde straf], daar heb ik weinig zicht op. Ik zie de verdachte niet meer terug. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat een lange gevangenisstraf geen oplossing biedt gezien de recidive, is dat het enige wat we kunnen doen. Dat hebben we weleens letterlijk in een vonnis gezet. Meer hebben we als rechters niet, dat is een beetje het punt. Nog zwaarder, nog hoger straffen. Soms doen we dat en vaak werkt dat ook niet. Wat moeten we dan?’
Veel rechters lijken de verharding van de strafrechtelijke aanpak in Nederland (zie hoofdstuk 1) als een voldongen feit te beschouwen, meer dan als een ontwikkeling die nog steeds gaande is: ‘Dan heb je het wat mij betreft over de afgelopen decennia, dat de straffen wel geleidelijk hoger zijn geworden. Het brengt met zich mee dat we meer richting vergelding zijn opgeschoven.’ Tegelijkertijd spelen de aanhoudende zorgen over het maatschappelijke aanzien van de strafrechtspraak en mogelijk angst voor hun eigen veiligheid een rol: ‘Ik vind dat een probleem, een gebrek aan vertrouwen in de strafrechter: dat die te langzaam is, te laag straft, te laks is, niet goed uitspraken doet, zodat mensen met stoelen gaan smijten.’ Echter, uiteindelijk is het volgens rechters niet van eigen opvattingen, maar sterk van de voorliggende zaak afhankelijk op welke strafdoelen het accent komt te liggen. Het volgende aangrijpende voorbeeld, een strafzaak over een dodelijk verkeersongeval, kan dit duidelijk maken. In deze zaak is tegen de verdachte (minimaal) overtreding van de Wegenverkeerswet ten laste gelegd en de officier van justitie eiste strafoplegging. De moeder van het slachtoffer zei, mede op grond van de in de rechtszaal zichtbare emoties en spijtbetuigingen van de verdachte, bij het voorlezen van de slachtofferverklaring (hoewel dit formeel niet is toegestaan) geen straf meer voor de verdachte te wensen. Ook omhelsden de nabestaanden van het slachtoffer tijdens de rechtszitting de verdachte en zijn familie, en werd aan de verdachte een brief gegeven die volgens de geïnterviewde rechter uitdrukte dat de nabestaanden vrede zouden kunnen vinden door hoe de verdachte zich had opgesteld. Deze rechter legt uit hoe de meervoudige strafkamer waarvan hij onderdeel uitmaakte, in deze zaak de verschillende strafdoelen vervolgens verwerkte in het vonnis:
‘Die jongen had iets gedaan wat niet mag, met de dood van iemand tot gevolg. Hij kijkt nu echt wel heel goed uit in het verkeer. De kans dat hij dit nog een keer doet is niet zo groot. Hij heeft ervan geleerd. Het aspect van vergelding vonden we ook niet meer aan de orde. Als degenen die het meest getroffen zijn door dit ongeval, zo vergevingsgezind zijn en die jongen tegen zich aandrukken, wat voor nut heeft vergelding dan nog? Het enige aspect wat nog een rol zou kunnen of moeten spelen is de generale preventie, namelijk de handhaving van verkeersvoorschriften en dus hebben we de eis van de officier van justitie gehalveerd. Maar ook met deze uitleg erbij. Een persberichtje ervan gemaakt, helder proberen uit te leggen dat voor ons van de drie strafdoelen twee geen opgeld deden.’