Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.3:10.4.2.3 Relatie met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.3
10.4.2.3 Relatie met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Pogingen daartoe zijn reeds ondernomen door Borgers 2012 en door Aben in zijn conclusie bij HR 15 november 2011, NJ 2012, 279, m.nt. Reijntjes, onder 5.12-5.13.
Deze vraag is al eerder opgeworpen door Dreissen (2009, p. 773).
HR 6 maart 2012, NJ 2012/251, m.nt. Schalken onder NJ 2012, 252.
HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512, m.nt. Borgers. Zie bijv. ook HR 5 oktober 2010, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers.
Zie ook Borgers 2012, § 3. Zie anders Bleichrodt 2011, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd stelt de Hoge Raad niet in algemene termen te kunnen zeggen wanneer aan het bewijsminimum is voldaan. Echter, aan de hand van analyse van uitspraken van de Hoge Raad tot dusver kan worden getracht algemene lijnen te ontdekken.1 Een punt dat opheldering verdient, is de relatie tussen de toepassing van de bewijsminimumregel en het oordeel van de feitenrechter omtrent de betrouwbaarheid. Er liggen op dit punt nog een aantal vragen voor die zich mogelijk wel lenen voor beantwoording in algemene termen. De eerste vraag is of de vereiste steun altijd buiten de verklaring van de getuige zelf moet worden gevonden. En kan bijvoorbeeld een deskundigenrapport waarin een positief oordeel wordt gegeven over de betrouwbaarheid van de dragende getuigenverklaring, ook voldoende steun opleveren? Een andere vraag is of het bijkomend bewijsmateriaal ook uitsluitend betrekking mag hebben op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring zonder dat daarmee een concreet onderdeel van de tenlastelegging wordt ‘gedekt’.2
Om met de eerste vraag te beginnen: uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als alle gebezigde bewijsmiddelen te herleiden zijn tot de getuige in kwestie, niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Er is een pluraliteit aan bewijsbronnen vereist. Dat volgt ook uit de ratio van de bewijsminimumregel. Het probleem is dat in het Nederlandse strafproces regelmatig bewijsmiddelen worden gebruikt die noodzakelijk worden geacht voor het ‘afdichten’ van de bewijsconstructie maar die geen wezenlijke onderscheidende waarde hebben in relatie tot de vraag of de verdachte de strafbare gedraging heeft begaan. In dit verband kan worden gedacht aan een aangifte bij diefstal waaruit blijkt dat goederen zijn weggenomen maar niet door wie, of een verklaring bij ontucht waaruit blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode bij het slachtoffer in huis woonde. In die gevallen is strikt genomen wel sprake van meerdere bewijsbronnen, maar zien die niet op de kern van het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte wordt gemaakt of diens betrokkenheid daarbij. Een nadere motivering van de feitenrechter waarom hij de dragende getuigenverklaring betrouwbaar acht zonder dat daarmee verwezen wordt naar buiten de verklaring gelegen objectieve gegevens, lijkt in dat geval geen soelaas te bieden. Dit komt onder meer naar voren in de volgende twee voorbeelden.
Het eerste voorbeeld betreft de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 2010, waar het ging om een veroordeling voor ontucht met een minderjarige. Het hof stond in deze zaak uitvoerig stil bij de betrouwbaarheid van het jonge slachtoffer waarbij het vooral waarde hechtte aan vertoonde gedragsveranderingen rondom het studioverhoor en de uitlatingen van het meisje met betrekking tot de seksuele handelingen. Vrij vertaald behoorde volgens het hof de – in de uitlatingen tot uitdrukking gebrachte – kennis niet tot die van een achtjarig meisje en was niet aannemelijk geworden dat zij die kennis op andere wijze dan uit eigen ervaring had opgedaan. Het steunbewijs bestond daar uit de verklaringen van horen zeggen van de moeder, de verklaring van de verdachte dat hij tijdens de tenlastegelegde periode met het slachtoffer in een huis woonde en de verklaringen van haar moeder en een leerkracht over het gedrag van het slachtoffer voor en na het studioverhoor. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd. Het tweede voorbeeld betreft een uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2013. Het ging hier eveneens om ontucht met een minderjarige die zou hebben plaatsgevonden in een tentenkamp in Urk rond 1989. Ook hier had het hof uitvoerig aangegeven waarom het de verklaring betrouwbaar achtte. De bijkomende bewijsmiddelen behelsden de verklaringen van horen zeggen van de moeder, een tante en het nichtje van het slachtoffer en een verklaring van een getuige waaruit volgde dat in 1989 al tentenkampen bestonden in Urk. In cassatie brengt advocaat-generaal Knigge naar voren dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte de wacht hield bij de tenten of dat hij met het meisje in één tent zou hebben geslapen. Ook hier is de Hoge Raad van oordeel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
In beide gevallen werd het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de dragende getuigenverklaring door de feitenrechter nader onderbouwd, maar dit gebeurde vooral door verwijzing naar algemene kennis en ervaringsregels, terwijl de bijkomende bewijsmiddelen ofwel waren te herleiden tot het slachtoffer zelf ofwel nauwelijks discrimineerde tussen het ‘schuldig’ en ‘onschuldig’ scenario. Een dergelijke constructie wordt door de Hoge Raad niet (meer) geaccepteerd. Anders lag het in het arrest van 25 juni 2011, waarbij het ging om vermeende ontuchtige handelingen tussen een tandarts en zijn assistente. In deze zaak werd wel gebruikgemaakt van objectieve gegevens buiten de verklaring van aangeefster, namelijk een uitgelezen sms-bericht waarin de verdachte de aangeefster aanspreekt met ‘lief’ en de verklaring van haar moeder dat zij tijdens een meegeluisterd telefoongesprek hoort dat de verdachte de aangeefster lieverd en moppie noemt. Dit is weliswaar geen rechtstreeks bewijs dat de verdachte inderdaad ontuchtige handelingen zou hebben gepleegd, maar maakt het verhaal van de aangeefster op dit punt wel aannemelijker en draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Dit was bijvoorbeeld ook het geval in het arrest van 6 maart 2012, waarin het toevallig gevonden dagboek van het slachtoffer deze functie vervulde3 of in het arrest van 26 januari 2010 waarin bij verdachte een mes was aangetroffen wat het verhaal van de getuige dat hij vlak daarvoor door de verdachte was bedreigd, veel aannemelijker maakte.4 Voorzichtig concluderend kan worden gesteld dat het bijkomend bewijsmateriaal geen inhoudelijke bevestiging van daderschap hoeft te behelzen, maar wel de aannemelijkheid van het verhaal van de getuige moet vergroten door verwijzing naar buiten de verklaring gelegen en in de bewijsmiddelen neergelegde objectieve informatie. In het licht van het voorgaande is het niet waarschijnlijk dat de Hoge Raad zal instemmen met een constructie waarin het bewijs uitsluitend berust op de verklaring van een getuige en een deskundigenrapport omtrent de betrouwbaarheid. Zeker weten doen we dit echter niet tot het moment dat de Hoge Raad op dit punt uitspraak doet.
Indien wel objectieve gegevens aanwezig zijn waaraan de betrouwbaarheid van de verklaring kan worden getoetst, dan is de vraag of deze gegevens ook rechtstreeks moeten zien op een onderdeel van de tenlastelegging. Men is er in de literatuur namelijk altijd van uitgegaan dat het bijkomend bewijs betrekking moet hebben op een specifiek onderdeel van de tenlastelegging. Toegegeven, dit is een enigszins academische kwestie nu – zoals we hiervoor zagen – enig aanvullend bewijsmateriaal uit een andere bron dat gericht is op een onderdeel van de tenlastelegging, meestal wel aanwezig is. Echter, in zedenzaken kan dit anders liggen. Geconstateerd moet worden dat onder omstandigheden het bijkomend bewijsmateriaal dat primair steun biedt voor de betrouwbaarheid van de dragende getuigenverklaring, sterker bewijs kan opleveren dan een bewijsmiddel dat weliswaar een concreet onderdeel van de tenlastelegging ondersteunt zoals de pleegplaats of pleegdatum, maar nauwelijks discrimineert tussen het ‘schuldig’ en ‘onschuldig’ scenario. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin het slachtoffer zegt te zijn verkracht door de verdachte, terwijl de verdachte ontkent gemeenschap te hebben gehad, en het slachtoffer daarbij correct bepaalde intieme lichaamskenmerken weet te melden zonder dat ook maar aannemelijk is geworden dat het slachtoffer deze kennis uit een andere bron heeft verkregen. Aangezien in de nieuwe formulering uitdrukkelijk wordt gesproken van steun aan de getuigenverklaring en niet aan de bewezenverklaring, lijkt niet uitgesloten dat dergelijke informatie voldoende bijkomend bewijs kan opleveren om de bewezenverklaring op te doen rusten.5 Echter, een zaak waarin het bijkomend bewijsmateriaal wel steun gaf aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, maar niet aan enig onderdeel van de tenlastelegging, heeft zich nog niet voorgedaan.