Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.6.7:5.6.7 Vzngr. Rb. Rotterdam 4 november 2003, NIPR 2004, 161
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.6.7
5.6.7 Vzngr. Rb. Rotterdam 4 november 2003, NIPR 2004, 161
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS432991:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Hof Amsterdam 9 juni 2005, NIPR 2005, 344: 'In de eerste plaats miskent Ammann Baumaschinen [eiser, Fl] dat art. 9 Rv niet meebrengt dat de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is in kort geding van een vordering kennis te nemen uitsluitend op de grond dat in het land waar een bodemprocedure aanhangig kan worden gemaakt niet, althans niet op korte termijn een (voorlopige) voorziening kan worden verkregen met betrekking tot de incasso van een geldvordering.'
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vzngr. Rb. Rotterdam 4 november 2003, NIPR 2004, 161, is — naast Hof ' s-Gravenhage 21 december 2005, NJF 2006, 154 — de enige uitspraak die mij bekend is waarin een Nederlands gerecht zijn rechtsmacht baseert op art. 9 sub b Rv. De eiser, de Bermuda vennootschap IPOC, en de gedaagden, de Nederlandse vennootschap Sonera en twee Zweedse vennootschappen, Telia International en Telia International Management, zijn aandeelhouders van de Russische mobiele telefoonmaatschappij MegaFon. Tussen partijen geldt een aandeelhoudersovereenkomst waarin onder andere is opgenomen een non-concurrentiebeding en een arbitragebeding dat verwijst naar de Rules of Arbitration of the Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce. In een Nederlands kort geding vordert IPOC onder andere om de gedaagden te verbieden om in de aandeelhoudersvergadering van MegaFon op 5 november 2003 of in enige andere aandeelhoudersvergadering van MegaFon, te stemmen voor een voorstel tot benoeming van een persoon die behartiger is van de belangen van een concurrent van MegaFon. IPOC ziet af van een spoedprocedure bij het overeengekomen arbitrage-instituut omdat de tijd tot de bestuursvergadering van 5 november 2003 te kort is om langs die weg tijdig een voorziening te verkrijgen. Is de voorzieningenrechter bevoegd? Aan de bevoegdheidsregels uit de EEX-Verordening kan geen rechtsmacht worden ontleend, omdat partijen arbitrage zijn overeengekomen. Evenmin volgt rechtsmacht uit art. 31 EEX-Vo, nu niet was voldaan aan het vereiste van een reële band. Het ging namelijk om maatregelen die in Rusland effect moeten sorteren. De voorzieningenrechter overweegt verder:
`Nu niet in geschil is dat het Russische recht niet voorziet in een procedure die kan leiden tot het treffen van maatregelen als gevorderd, is er sprake van een negatief jurisdictieconflict. Bevoegdheid kan in dit geval dan ook worden ontleend aan artikel 9 aanhef en onder b Rv. Ten aanzien van de Zweedse gedaagden komt de voorzieningenrechter rechtsmacht toe op grond van artikel 7 lid 1 Rv. Tegen de gedaagden zijn gelijkluidende vorderingen ingesteld. Er is dan ook sprake van een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.'
De beslissing van de voorzieningenrechter is om een aantal redenen onjuist. Allereerst merkt de voorzieningenrechter terecht op dat de EEX-Verordening van toepassing is, maar dat hierop geen bevoegdheid kan worden gebaseerd. Daarmee zijn de `bevoegdheidskaarten' van de voorzieningenrechter mijns inziens uitgespeeld. In het licht van art. 1 Rv staat het hem niet vrij om nog eens te beoordelen of het Nederlandse commune recht in rechtsmacht voorziet. Bovendien blijkt dat een procedure in het buitenland wel mogelijk is. De eiser kan zich namelijk wenden tot het overeengekomen arbitrage-instituut. Dat het voor de eiser in termen van tijd onmogelijk is om in verband met een op korte termijn te houden bestuursvergadering via een arbitrageprocedure tijdig een voorziening te verkrijgen, is naar mijn mening geen noodsituatie waarop art. 9 sub b Rv ziet.1 De eiser had de weg van arbitrage moeten volgen en zich erbij moeten neerleggen dat het arbitrale vonnis pas komt na de vergadering van 5 november 2003.2