Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.2:6.2.1.2 Spiegelenburg Beheer
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.2
6.2.1.2 Spiegelenburg Beheer
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469162:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 10 december 1998, JOR 1999, 32 (Spiegelenburg Beheer, m.nt. Josephus Jitta). Voor zover mij bekend, is er geen verzoek tot het treffen van voorzieningen ingediend.
In woorden van Josephus Jitta in zijn noot (onder 6) in JOR 1999, 32 (onder OK 10 december 1998 (Spiegelenburg Beheer)): op grond van de omstandigheden van het geval komt de OK tot de conclusie dat de beide directeuren niet in dezelfde mate verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
181. Spiegelenburg Beheer is op 30 november 1993 failliet verklaard. Nadat de Ondernemingskamer bij beschikking van 14 maart 1996 een onderzoek heeft bevolen bij de vennootschap en het onderzoeksverslag op 5 september 1996 ter griffie van het gerechtshof is gedeponeerd, dient de curator het verzoek in de beide bestuurders, [T] en [K], hoofdelijk te veroordelen in de onderzoekskosten (ruim ƒ 35 000).1 De Ondernemingskamer somt in de beschikking van 10 december 1998 in rechtsoverweging 3.1 onder a tot en met i een aantal tekortkomingen op en oordeelt dat elk van deze punten onjuist beleid van de vennootschap inhoudt (rechtsoverweging 3.2). Vervolgens concludeert zij dat de beide bestuurders hiervoor verantwoordelijk zijn: ‘[T] in ieder geval voor de punten a tot en met g en i en [K] in ieder geval voor de punten a tot en met e.’ (rechtsoverweging 3.2). De Ondernemingskamer overweegt in reactie op de pogingen van beide bestuurders over en weer de schuld bij de ander te leggen, dat het onjuiste beleid op de genoemde punten zo omvangrijk is geweest dat zowel [T] als [K] daarvan heeft geweten althans redelijkerwijs moet hebben geweten. Door niet althans onvoldoende in te grijpen is elk van hen dan ook voor het bij ieder van hen aangegeven onjuiste beleid verantwoordelijk. Dat geldt voor het uitgaven- en investeringspatroon te meer, daar concrete perspectieven op omzet en winst ontbraken. En het geldt nog weer sterker naarmate de tijd verstreek en ook de vage winstverwachtingen niet werden verwezenlijkt. De Ondernemingskamer wijst het verzoek van de curator in deze zin toe, dat [T] hoofdelijk wordt veroordeeld in de onderzoekskosten en dat [K] daarin voor een derde gedeelte moet bijdragen. Zij overweegt in dit verband dat het onjuiste beleid in de gegeven omstandigheden ‘in aanmerkelijk mindere mate aan [K] dan aan [T] kan worden toegerekend’.2 Hier komt bij dat het onjuiste beleid waarvoor [K] verantwoordelijk is ook geringer in omvang is dan het onjuiste beleid waarvoor [T] verantwoordelijk is (rechtsoverweging 3.11): ‘Alle omstandigheden afwegende komt de ondernemingskamer tot de conclusie dat [T] onderscheidenlijk [K] zodanig hebben bijgedragen aan het onjuiste beleid, dat [T] voor het geheel en [K] voor één derde (...) aansprakelijk moeten worden gehouden voor de kosten van het onderzoek.’ (rechtsoverweging 3.12)